Transcriptie voltooid oprichting weeshuis 1626

Gemeentearchief
HOME  |  Geschiedenis regio  |  Voorouderonderzoek  |  Transcriptie voltooid oprichting weeshuis 1626

Transcriptie voltooid oprichting weeshuis 1626

Binnenkort komt via deze website de transcriptie beschikbaar van het register van de oprichting van het weeshuis vanaf 1626.


 

In het eerste kwart van de 17de eeuw begon in Goes het aantal weeskinderen, ondergebracht bij familie of kennissen, de spuigaten uit te lopen. In een rekening van de armmeesters van 1626/1627 noemde men het aantal van 52 weeskinderen. Deze kinderen verkeerden soms in kommervolle omstandigheden zonder veel toezicht. Ze dreigden op te groeien voor galg en rad, en zouden dan veel overlast veroorzaken voor de stadsbewoners. Al aan het begin van die eeuw was nagedacht over een stedelijk weeshuis, waarin weeskinderen een beter leven en scholing zouden krijgen. Beducht voor de kosten schoof het stadsbestuur een beslissing nog enige tijd voor zich uit. In 1626 hakte het bestuur de knoop door en besloot tot oprichting van een weeshuis. Een voorbereidingscommissie ging zich oriënteren op weeshuizen in de buurt (onder meer Zierikzee en Delft) en probeerde een kostenoverzicht te maken. Het Goese weeshuis zou onderdak vinden in het deels leegstaande opgeheven klooster van de Zwarte Zusters aan de Singelstraat. Omdat hier al sinds 1580 (reformatie in Goes) geen onderhoud meer aan was uitgevoerd, liepen de inrichtingskosten nogal op. Er werd een ‘buiten’- en een ‘binnen’-bestuur gevormd, het eerste bestaande uit regenten en regentessen. Ze noemden zich ‘vader’ en ‘moeder’. De regenten kwamen meestal voort uit het stadsbestuur, de regentessen waren vaak de echtgenotes van de magistraten of andere ‘achtenswaardige’ vrouwen. Het ‘binnen-bestuur’ werd gevormd door een binnenvader en –moeder, die enkele huishoudelijke krachten aanstuurden. Deze vader en moeder waren bij voorkeur een gehuwd echtpaar zonder kinderen. 


Namen van weeskinderen
 

Door mw. J. de Vos uit Colijnsplaat, sinds ca. 25 jaar vrijwilligster bij het Gemeentearchief, is uit het archief van het burgerlijk armbestuur van Goes inv.nr. 3 getranscribeerd. Dit is het register van de oprichting van het weeshuis in 1626, wat in bedrijf kwam in 1628. In het reglement op het weeshuis (met 65 artikelen) gaat artikel 9 over het bijhouden van de namen van de weeskinderen in een register. Dat is dit inventarisnummer 3 geworden.

Na het reglement van 1626 volgen vanaf 1628 dan de namen van de opgenomen weeskinderen. Hun ‘loopbaan’ in het weeshuis is in veel gevallen goed te volgen. De jongens (‘knechtkens’) kwamen vaak bij een werkbaas terecht waar ze een ambacht leerden. Meisjes leerden allerlei nuttige handwerken en huishouden, soms in het weeshuis en soms als dienstmeisje bij ‘goede’ families in de stad. Bij het beheer van het weeshuis gingen de regenten ervan uit dat de oudste meisjes voor allerlei huishoudelijk werk zouden worden ingezet. Bij meerderjarigheid dienden de weeskinderen de regenten te bedanken voor hun verzorging; daarna ontvingen ze een uitzet bestaande uit textiel (voor de meisjes) of gereedschap (voor de jongens). Enkele opvallende omstandigheden: veel jonge kinderen overleden in een mum van tijd in het weeshuis. Jongens die er niet in slaagden een ambacht onder de knie te krijgen of niet wilden deugen gingen vaak naar Nederlands-Indië. Diverse keren overleden deze jongens als ze nog onderweg waren.


Manhuis
 

Merkwaardig is dat in de periode 1628-1655 in het voormalige klooster ook bejaarden werden opgenomen. Ook daarvan zijn veel gegevens genoteerd. Deze bejaarden betaalden een flink bedrag ineens, om daarmee van een ongestoorde oude dag verzekerd te zijn. Ze waren verplicht om een bed met benodigdheden naar het weeshuis mee te nemen. Bij hun overlijden vielen deze goederen automatisch toe aan het weeshuis, dat daarmee het aantal bedden steeds verder kon uitbreiden voor toekomstige bewoners. In 1654 en 1655 werd een deel van de inkoopsom die de bejaarden betaalden gebruikt voor de bouw van een zelfstandig Manhuis (bejaardenhuis), dat in 1655 of in 1656 in gebruik werd genomen. Dit markante gebouw werd ten zuiden van het weeshuis gebouwd. Dit kwam de rust voor de weeskinderen en voor de bejaarden ten goede. In de decennia dat ze samen onder één dak woonden ontstonden er regelmatig conflicten tussen beide groepen. Kort na 1655 kregen beide instellingen een opvallende versierde deuromlijsting: het weeshuis met beeldjes van een weesjongen- en meisje in hun traditionele weeskleren, en het Manhuis met beeldjes van een welgestelde oude man en vrouw.

Het register begint met een zeer uitgebreid reglement en de benoemingen van de regenten en personeel van het weeshuis. Dan volgen vanaf folio 34r. de eerste inschrijvingen van de weeskinderen vanaf 1628. Dit waren de weeskinderen die eerder door de armmeesters bij particulieren in de stad waren ondergebracht en nu dus in het weeshuis werden geconcentreerd. De eerste weeskinderen waren Sara Joos, 10 jaar oud, Adryaencken Joos, oud 8 jaar, Cornelis  Jooss, 14 jaar, Dignis Jooss, 13 jaaren Abraham Jooss, 9 jaar oud. De ouders waren Joos de Lapper en zijn vrouw Maijcken. Dochter Sara werd vanaf mei 1629 uitbesteed bij Anthony Janssen Sant voor 3 jaar, Adryaencken overleed al in 1629, Abraham en Dignis leerden het vak van kousenmaken bij Anthonij Pieters, Cornelis kreeg een opleiding tot mandenmaker mandenmaker bij Bastiaen Bastiaenssen. Het kind Dignis was enige tijd ziek. Hij werd daarna in de leer gedaan bij Pieter Cornelissen cleermaecker om dit ambacht te gaan leren.

Op fol. 62v maken we kennis met twee kinderen van schipper Pontiaen Janssen, Jacob Ponse van 10 jaar, en Pieternelleken Ponse van 5 jaar, die in 1642 in het weeshuis kwamen. Jacob werd toen hij 16 jaar oud was bij een zeilmaker in de leer gedaan. Dit werk lag hem niet, zodat hij schippersknecht werd bij Cornelis Willemssen van Veere. Ook dit was geen succes, zodat hij op 27 december 1647 afscheid nam van de vaders en moeders om naar Nederlands-Indië te varen. Hij kreeg een uitzet mee. Onderweg naar de Oost overleed hij; het weeshuis vorderde van de VOC-kamer Middelburg 3 ponden terug voor de uitzet.

Vanaf fol. 75r. worden tientallen legaten genoemd die aan het weeshuis zijn toegevallen vanaf 1635.

Vanaf fol. 78r. worden de zogenaamde ‘proveniers’ ingeschreven, ouderen die hun oude dag in het weeshuis wilden doorbrengen. Deze mogelijkheid bestond al vanaf 1628, gelijk met de start van het weeshuis. De eerste was de 63-jarige Guilliaem van Grimbreggen van Kuitaart in (Zeeuws-) Vlaanderen.

Het register biedt een onverwachtse kijk in de sociale zorg in Goes in het midden van de 17de eeuw. Het is niet het enige register hierover: het archief van het burgerlijk armbestuur van Goes biedt een schat aan informatie over het reilen en zeilen van het Gasthuis, Weeshuis en Manhuis, en vooral over de leefomstandigheden van de bewoners van deze instellingen.


Zie op deze site ook de inventaris van het archief van het Burgerlijk Armbestuur. Door A.J. Barth en A.L. Kort werd een uitvoerige publicatie aan het Burgerlijk Armbestuur gewijd, getiteld: Een troostelijk woord is der armen spijs, Een geschiedenis van het Burgerlijk Armbestuur en de Godshuizen van Goes, van de vijftiende tot de twintigste eeuw, verschenen als Historisch Jaarboek voor Zuid- en Noord-Beveland nr. 17. Goes 1991.