Wanneer de maen achter de kerk is.

Gemeentearchief
HOME  |  Rubrieken  |  Verhalen  |  Heinkenszand  |  Wanneer de maen achter de kerk is.

Wanneer de maen achter de kerk is.

Door Frank de Klerk

  

Het laatste dat we weten van Isabella de Moerloose is dat ze in 1712, ze is dan ongeveer 50 jaar oud, uit het Amsterdamse Dolhuis wordt ontslagen. Ze heeft een uniek boek nagelaten dat haar op verbanning, gevangenisstraf en opname in een gesticht is komen te staan.Het boek is haar levensbeschrijving en draagt de merkwaardige titel: "Vrede Tractaet, gegeven van den hemel door Vrouwenzaet". Het verschijnt in Amsterdam in 1695. Ze schrijft uitvoerig over haar opvoeding, ideeënwereld, ervaringen, volksgeloof, huwelijk en sexualiteit. Interessant is dat Isabella de Moerloose, afkomstig uit Gent of de omstreken daarvan, getrouwd is geweest met de dominee van Heinkenszand. Die periode in haar leven wordt hier belicht. Omstreeks 1685 belandt Isabella vanuit Gent via Middelburg in Heinkenszand. Ze wordt gouvernante voor de twee kinderen van de al bejaarde predikant Laurentius Hoogentoorn, een man van ongeveer 65 jaar. Als 25jarige krijgt ze de zorg over de kreupele Adelaer en Francijntje Hoogentoorn, twee pubers van een jaar of 15, 16. Het dorp gonst van de geruchten over de predikant met zijn jonge kinderjuffrouw: "het moet de vaders hoere wesen of kokebijne", fluistert men. 

 

Als Isabella hooglopende ruzie met de oude Hoogentoorn krijgt woont ze enige tijd op kamers in het dorp. Ze durft niet uit Heinkenszand te vertrekken uit vrees voor nog meer roddels: "dat ick swanger was en henen ginck om mijn packje te lossen". Nadat ze 5 jaar in betrekking is geweest, waarbij ze soms moeite moet doen om zich de predikant van het lijf te houden, trouwen ze. Het leeftijdsverschil van 40 jaar staat het huwelijksgeluk niet in de weg. Met deze verbintenis gooit Hoogentoorn roet in het eten van de Goese baljuw Eversdijck, die zijn nicht aan de dominee wil koppelen. De nicht heeft volgens Hoogentoorn "soo veel vlees en bloet als een Spaens ancker", zodat hij geen belangstelling heeft. Hij heeft toch al geen hoge pet op van de Goese regenten: "Ze nemen slutjes van wijfs om het goet en spelen mooy weder met andere". De echtelieden in de pastorie van Heinkenszand zijn redelijk aan elkaar gewaagd. Isabella kan als dat nodig is goed tegengas geven aan haar bejaarde echtgenoot. Ze geven elkaar koosnaampjes zoals liefje, hertje, Betje en Lautje. In bed spreekt Isabella haar man overigens soms aan met U Edele.

 

De kinderen noemen hun stiefmoeder mama of mamietje, en hun vader papa. De dominee is trots op zijn veel jongere, aantrekkelijke vrouw. Zelfs tegen zijn kinderen roemt hij haar: "Zy is so sot met my, zy sou my wel opeeten of inswelgen". Isabella zit dan met schaamrood tot achter de oren erbij. In haar boek is ze veel openhartiger over haar sexuele relatie met haar echtgenoot. Onderwerpen als menstruatie ("wanneer de maen achter de kerck is"), onthouding, het krijgen van kinderen, opvoeding, al deze onderwerpen komen aan bod. In tegenstelling tot de dan gangbare opvoedingstheorieën vindt Isabella dat kinderen worden bedorven door slaag. Ze keurt tevens het bangmaken van kinderen scherp af. In haar jeugd is ze zelf bang gemaakt voor "den man met den langen mantel", die kinderen mee neemt en ze laat stikken met een bal in de mond. Opvoeders verzonnen en verzinnen nog steeds boemannen om kinderen bij het water vandaan te houden (Jan Haak), om mee te dreigen als ze onwillig zijn, of om andere redenen. Andere dreigende figuren zijn in Isabella's tijd de bulleman, haantje pik, de vleermuis, de weerwolf, de tenensnijder.

 

Om kinderen uit het koren te houden verzint men de drie bloedpaters, die zich in het graan verborgen houden en ieder die ze te pakken krijgen om zeep helpen. In Antwerpen worden de kinderen later bang gemaakt met de bloedkaros, die kinderen die te laat op straat spelen voorgoed doet verdwijnen. Na twee jaar getrouwd te zijn overlijdt Hoogentoorn. Bij de verdeling van zijn erfenis raakt Isabella in conflict met haar stiefkinderen en verlaat Heinkenszand. Enkele jaren woont ze in Goes. Kort na het overlijden van haar man begint Isabella aan haar boek. Ze voelt zich geroepen om haar vrijmoedige ideeën en ervaringen met name aan andere vrouwen door te geven. De hervormde classis van Zuid-Beveland, de vergadering van de Bevelandse predikanten, ziet weinig in die roeping. De classis verzet zich fel tegen haar pogingen om haar geschriften gepubliceerd te krijgen. Op aandrang van de predikanten staat ze in 1694 in Goes terecht voor "haere confuse schriften", waarop ze verbannen wordt. Met veel moeite slaagt ze erin om in 1695 haar boek te laten drukken. Enkele jaren later drijft ze illegaal een schooltje in Amstelveen, waar ze de kinderen "zeer godlooze ende verfoeijlijcke dingen" leert. Een burgemeester van Amsterdam die tegelijkertijd ambachtsheer van Amstelveen is laat haar arresteren.

 

Vanaf 1699 verdwijnt ze in het Spinhuis in Amsterdam, vanwaar ze in 1706 naar het Dolhuis verhuist, om in 1712 daaruit ontslagen te worden. Het is niet bekend waar ze haar laatste levensjaren heeft doorgebracht.