Veldwachters en moeilijke woorden

Gemeentearchief
HOME  |  Rubrieken  |  Verhalen  |  Kattendijke  |  Veldwachters en moeilijke woorden

Veldwachters en moeilijke woorden

Door Allie Barth

 

Vooral in de negentiende eeuw stonden ze laag op de maatschappelijke ladder, de veldwachters. Een laag salaris, een werkgebied dat vaak veel te groot was en ze moesten alles lopend doen, een burgemeester, hoofd van de politie, die hen als voetveeg gebruikte. Een boerenarbeider, in vaste dienst, had het doorgaans veel beter. Heel vaak hadden de veldwachters in hun jonge jaren dienst gedaan als koloniaal. Ze wisten wat vechten was, wat gehoorzamen was en wat orde handhaven was. Want een beetje veldwachter had er wel de wind onder. Ze moesten goed kunnen lezen en schrijven en vooral daaraan wilde het nog wel eens schorten. Met het steeds ingewikkelder worden van de samenleving stelde het Openbaar Ministerie de eisen steeds hoger, zonder dat er in eerste instantie veel aan de opleiding veranderde. In het begin van de twintigste eeuw mochten er in de processen-verbaal geen fouten meer voorkomen.

 

Die zouden kunnen leiden tot vrijspraak. Vooral de oudjes, zo tegen hun welverdiend pensioen aan, hadden het er maar moeilijk mee. Zoals Arnoldi, de veldwachter van de gemeente Kattendijke, waar toen de hele Wilhelminapolder nog onder viel. Hij moest regelmatig bij de burgemeester op visite komen. Die keek zijn verbalen door, voordat ze naar de officier van justitie gingen en gebruikte naarstig het rode potlood. Zuchtend moest de veldwachter dan weer opnieuw gaan schrijven. Hij had al eens om een woordenboek gevraagd, maar dat kon de gemeente niet bekostigen. Veel te duur! Arnoldi was het eerst niet gewend om met notitieblok de deur uit te gaan om gegevens te noteren voor de op te maken processen-verbaal, maar de laatste jaren van zijn diensttijd had hij het later zo berucht geworden boekje in de zak. Toen er zo rond 1920 met een auto een ongeluk was gebeurd, was hij echter blij, de gegevens te kunnen noteren.

 

Her en der lagen onderdelen verspreid, die hij in het belang van het onderzoek moest noteren, terwijl de dokter in de smidse, waar de chauffeur was binnengebracht, trachtte een mensenleven te redden. Hij noteerde: de restanten van eenen automobiel tegen eenen boom. Een spatbord liggende op het midden van den weg en terwijl hij dat noteerde bedacht hij, dat veertig jaar geleden, toen hij begon, dergelijke voertuigen nog niet op de weg kwamen. Ze bestonden nog niet eens. Eens kijken, een lamp, liggende in den berm. Een tweede lamp, liggende op het trotwaar. Nee, dat schreef hij niet goed. Dat voelde hij wel aan. Als dat in het p.v. kwam en de heer burgemeester zou het lezen, dan zwaaide er weer wat. Hij krabde zich met potlood eens achter het oor en vroeg zich af hoe hij dat woord moest opschrijven. De burgemeester was bij zijn laatste proces-verbaal niet mals geweest. Als hij zo door zou gaan, dan dreigde er ontslag had de man met opgeheven vinger geroepen. Trotwaar, hoe schreef je dat nu. Zijn beroepstrots verhinderde hem het in de smidse te vragen. Moeilijke tijden vragen vaak snelle handelingen en beslissingen. Hij keek eens om zich heen, schopte de autolamp gauw op de weg en schreef: den tweeden lamp op den openbare weg. Op dat moment kwam de burgemeester er aan, geagiteerd en wel, maar die vroeg gelukkig naar de chauffeur. Beleefd gaf Arnoldi aan, dat de dokter in de smidse met de man bezig was. Pfffff. dat was op het nippertje.