(T)rouwen

Gemeentearchief
HOME  |  Rubrieken  |  Verhalen  |  Zeeland GE - ZE  |  (T)rouwen

(T)rouwen

Dit item is verlopen op 09-01-2012.

Door Allie Barth 

 

Voor 1811 sloot men een huwelijk rechtsgeldig in de kerk, nadat het drie weken lang elke zondag was afgekondigd van de kansel. De Franse tijd, 1811-1813 maakte daar een eind aan. Een huwelijk werd sindsdien voor de ambtenaar van de burgerlijke stand gesloten. In de kerk vond nadien nog slechts de inzegening plaats. Dat is tot op de dag van vandaag nog het geval. Vroeger was de bruid, vooral in gegoede kringen, al zwanger voor het huwelijk gesloten werd. In verband met bezit van onroerend goed, landerijen en dergelijke, was het van belang om te weten of de bruid wel zwanger kon raken en voor nageslacht zorgen. Bij de geboorte van een kind, het liefst om te beginnen een zoon, zou dan het familiebezit niet verloren gaan. Het ging dus niet zozeer om liefde. Ook in de lagere standen maakte men zich niet druk om een moetje. Dat was tot en met de achttiende eeuw, ondanks gesakker van rechtzinnige predikanten, niet iets om je druk over te maken. In de negentiende eeuw veranderde dat onder Victoriaanse impulsen zullen we maar zeggen. Met ernst wezen de predikanten en pastoors op het zondigen tegen het zevende gebod, wat een veroordeling van overspel inhield. Eigenlijk merkwaardig. Twee mensen die van elkaar hielden en met elkaar wilden trouwen en daardoor wat te snel snoepten van wat tot de huwelijkse staat werd gerekend, moesten voor de kerkenraad en de gemeente getuigen dat ze het allemaal verkeerd hadden gedaan. Enige hypcrisie in onze ogen. Eerst voor de kerkenraad en daarna voor in de kerk tijdens de zondagse kerkdienst voor de hele, aanwezige gemeente. Wat een verdriet en schaamte moet dat zijn geweest voor de stelletjes van toen. Maar het gebeurde wel en in streng rechtzinnige groeperingen moeten zij die gedwongen gaan trouwen, misschien nog wel voor de kerkenraad komen vertellen hoe het nu allemaal gebeurd was. Dat soort vergaderingen kende meestal geen afzeggingen van de weleerwaarde heren. Ook toen hield men van sappige vertelsels. Bruid en bruidegom moesten aan de hand van de door de kerkenraad gestelde vragen vertellen hoe en waar het nu gebeurd was, dat het meisje wat voorbarig zwanger was geraakt. Merien en Betje moesten dat ook doen. Ze waren zeker niet geestelijk gehandicapt, maar Betje ging door het leven als een simpel, doch goedhartig wezentje. Van al die geleerde vragen, die de predikant haar stelde over zwanger raken, gemeenschap hebben tijdens de ovulatie en of het aan haar te wijten viel, of aan Merien, snapte ze niet veel. Ze gaf steeds de verkeerde antwoorden, want het taalgebruik van de predikant lag mijlenver buiten haar gezichtsveld. Welnu, Betje, sprak de predikant bijna wanhopig, heeft Merien je soms verleid? Dat laatste woord, dat begreep ze en bijna gelukkig antwoordde ze: "belneent domenie, ik lag al."