Openbare stinksigaren

Gemeentearchief
HOME  |  Rubrieken  |  Verhalen  |  Kamperland  |  Openbare stinksigaren

Openbare stinksigaren

Door Allie Barth

 

Ik moet u een bekentenis doen. Toen ik lang geleden op de lagere school zat, hebben mijn schoolvriendjes en ik wat gescholden op de jeugd van de vlakbij gelegen openbare lagere school. In het nette hoor! Zij scholden ons uit voor 'fijnen' wat ik toen niet begreep, want zo fijn vond ik het niet op school. Pas later leerde ik dat ze daarmee zeer christelijke kinderen bedoelden. Toegegeven: wij riepen terug van 'openbare stinksigaren' wat natuurlijk nergens op sloeg, want roken deden we toen nog niet. Maar 't was allemaal hun schuld. In september hingen er altijd affiches voor hun schoolramen met de tekst: 'vrij en onverdeeld naar de openbare school!' Wat dat betekende begrepen we natuurlijk niet, maar dat er niets van klopte, was ons wel duidelijk.

 

Heerlijke tijd eigenlijk. Want als je het niet kon winnen met schelden dan riep je gewoon: "schelden doet geen zeer, maar pijn veel meer. " En dan ging je weg met het idee dat jij gewonnen had. Meestal liep je dan een half uurtje later met de jongens van de openbare school te voetballen. Op straat, want dat kon toen nog. In de negentiende eeuw werd er veel feller, vooral door de ouders, om scholen gestreden. In Kamperland bijvoorbeeld, waar veel orthodoxe protestanten woonden, richtte men in 1866 een bijzondere lagere school op, waar christelijk onderwijs zou worden gegeven. Dat betekende vrijwel het eind van de openbare school, waar meester Johannes Hendrik Thiel hoofd was.

 

Hij diende in 1873 een klacht in bij burgemeester Vader te Wissenkerke. Wat was er gebeurd? Thiel had een briefje in de bus ontvangen, waarop de volgende tekst stond: "Een briefje aan Johannes Thiel die draait zijn wiel, driemaal in het rond net zoo dun als koeiestront." De veldwachter kreeg de opdracht om uit te zoeken wie de schrijver van dat fraais was. De man voerde de opdracht op bekwame wijze uit en kwam er achter dat de dertienjarige Jacob Marcusse de auteur was. Jacob was leerling van de christelijke school en was, volgens de meester, geen brave jongen, want die had al heel wat onwaarheden over Thiel in het dorp verspreid.

 

De onderwijzer sprak van smaad met voorbedachte rade en wilde de officier van justitie inschakelen. Vanzelfsprekend was er meer aan de hand. Eigenlijkwas het briefje van de jongeman een geschenk uit de hemel. De vrouw van Van Thiel was namelijk gedagvaard voor de kantonrechter voor het beledigen van vader en moeder Marcusse. Door middel van het briefje kon Thiel de rechtbank later zien, dat zijn vrouw clementie verdiende. De hoofdonderwijzer had het niet gemakkelijk met Marcusse, die de facto zijn werkgever was, want Marcusse was lid van de gemeenteraad en liet in de vergaderingen van dat orgaan niet na steeds kritische vragen te stellen over het functioneren van het schoolhoofd en zijn school. Of het ooit nog goed is gekomen tussen die twee vermeldt de historie niet.