Machtsmiddelen tegen dienstbodes

Gemeentearchief
HOME  |  Rubrieken  |  Verhalen  |  Zeeland GE - ZE  |  Machtsmiddelen tegen dienstbodes

Machtsmiddelen tegen dienstbodes

Door Leen Moerland.

 

Het is zaterdag 7 oktober 1768. Evenals elke week is er een vergadering van Burgemeesters en Schepenen. In de vergadering wordt medegedeeld, dat er klachten zijn binnen gekomen over de dienstbodes in de stad. In deze tijd waren deze dames onmisbaar voor vele huishoudens. Ze werkten meestal bij de rijke gezinnen en werden als lid van het huisgezin beschouwd, maar stonden toch op een lager niveau. Meeëten aan de gezinstafel mochten ze niet. Ze woonden meestal in de keuken. Over deze dames zijn dus vele klachten bij het stadsbestuur binnengekomen. Er zijn dames, die zich voor een vaste tijd verhuren. Deze tijd komen ze echter niet na, omdat ze voor de afgesproken datum de dienst verlaten. Sommige dames houden zich wel aan deze vaste tijd, maar dan is hun gedrag weer niet om over naar huis te schrijven. Ook komt het veel voor, dat de dames niet van onbesproken gedrag zijn. Er zijn er die zich bezig houden met diefstal, prostitutie en andere kwalijke zaken. Ook komt het nog al eens voor, dat er dienstboden dronken over straat gaan. Om aan al deze misstanden een eind te maken wil het stadsbestuur een verordening uit vaardigen,waarin uitgelegd wordt, wat de dienstboden wel en niet mogen.

 

Blijkbaar waren er in vroeger eeuwen ook al misstanden op dit gebied voorgekomen, want in 1681 was er al een ordonnantie uitgevaardigt, die regels voorschreef wat de dienstboden wel en niet mochten.  Er was dus hulp van hoger hand nodig om de dames in het gareel te krijgen. Volgens de verordening is iedereen die een dienstmeid inhuurt verplicht haar op de eerste van de maand mei of de maand november in dienst te nemen. Dit gebeurt dan voor een half jaar. De dienstbode, die zich aan een familie verhuurt is verplicht om het halve jaar uit te dienen en te zorgen voor goede prestaties. Komen er klachten over de dame in kwestie bij het gemeentebestuur, dan zal ze door het bestuur bestraft worden door middel van een zware boete. De dames moeten op de afgesproken dag met hun dienstbodewerkzaamheden beginnen. Komen ze te laat, dan verbeuren ze elke dag een gulden. Dat is dan voor elke dag, die ze te laat zijn. Ook degene, die de dienstbode inhuurt heeft verplichtingen tegenover haar. Zo mag hij de dienstbode pas na drie dagen ontslaan, wanneer ze niet voldoet aan haar veplichtingen. Ook mogen de meisjes de dienst niet zonder wettige redenen verlaten.

 

Ze mogen zich tegenover hun werkgevers niet onbetamelijk, baldadig of wederspannig gedragen. Gebeurt dit toch dan zullen ze door het gemeentebestuur bestraft worden. Wanneer eeen dienstbode zich heeft verhuurd aan een werkgever wordt het voor haar zeer moeilijk om voortijdig uit dienst te gaan. Ze kan zich niet zomaar aan een ander verhuren. Doet zij dit toch, dan is het stadsbestuur verplicht hier een onderzoek naar in te stellen. Wordt er dan geoordeeld, dat de dienstbode in gebreke is gebleven, dan krijgt zij een boete van 1 pond Vlaams, die verdeeld wordt tussen de Schout en het Gecombineerde Arm- en Weeshuis. Deze pikten dus ook nog een graantje mee van de boetes. Om voortijdige opzegging te voorkomen wordt in de verordening geëist, dat er een opzegtermijn van acht dagen in acht moet worden genomen. Zijn deze verstreken, dan is de dienstbode verplicht om nog een half jaar bij dezelfde werkgever te blijven. Mocht de werkgever de opzegtermijn, niet nakomen, dan is deze verplicht om de dienstbode op dezelfde condities nog een half jaar aan het werk te houden. Het wordt de werkgevers ook verboden om door middel van het aanbieden van een hoger loon, de dienstmeid bij een ander weg te lokken.

 

Dit komt hem te staan op een boete van twee pond Vlaams, dit zou tegenwoordig ongeveer twaalf gulden zijn. Ook dienstboden, die voortijdig hun dienst verlaten mogen niet door een ander in dienst worden genomen.Mocht er tussen de werkgever en de dienstbode een conflikt ontstaan over het loon of andere werkomstandigheden, dan wordt dit door het stadbestuur onderzocht. Blijkt uit dit onderzoek, dat de schuldige niet aan te wijzen is, dan krijgt de werkgever altijd gelijk en wordt de dienstbode niet geloofd. Ze kan dan in bijzonder gevallen terstond ontslagen worden. Hiervoor moet men dan wel de toestemming van de burgemeester hebben. In ander gevallen wordt volstaan met een boete. Als het dienstmeisje dan niet de mogelijkheid heeft om deze boete te betalen dan wordt ze enige dagen opgesloten en op water en brood gezet. Bij wanprestatie staat het de werkgever vrij om de dienstbode te ontslaan. Ze moeten dan wel het loon betalen, dat de dienstbode reeds verdiend heeft en een extra maandloon daar bovenop. De meisjes werden dus niet zonder enige inkomsten op straat gezet.

 

Wanneer de dames zich echter schuldig maken aan verregaande ongehoorzamheid, prostitutie, dronkenschap of diefstal dan worden ze meteen zonder loon op straat gesmeten. De rechtbank moet hier echter een uitspraak over doen. Wordt er voor al deze zaken geen bewijs gevonden, dan nog wordt het voor waar aangemerkt als de werkgever onder ede verklaart, dat de dienstbode van alles heeft uitgespookt. Op 26 november 1768 wordt deze verordening van kracht. In 1786 wordt de ordonnantie nog aangescherpt. Dan wordt er door het bestuur besloten dat de verordening ook geldt voor"knegts en meyden", die in de fabrieken werken. De werkgever werd dus goed in bescherming genomen. Dit leidt bij Piccardt, archivaris van de stad Goes in de 19e eeuw, in zijn boek "De geschiedenis van de stad Goes" tot de verzuchting dat de verordening zeer onrechtvaardig is voor de dienstboden. In zijn tijd bestaat deze ordonnantie dan gelukkig al niet meer.