Krakers in 1854

Gemeentearchief
HOME  |  Rubrieken  |  Verhalen  |  Zeeland GE - ZE  |  Krakers in 1854

Krakers in 1854

Door Allie Barth

 

Als u denkt, dat het kraken van woningen vooral een bezigheid is geworden na de roerige en opstandige jaren zestig van de vorige eeuw, dan hebt u het mis. En als u denkt dat kraken iets is van de grote stad, dan zit u er alweer naast. In 1854 vond er al een woningkraak plaats en dat in een gehuchtje als Sint Kruis toen was. Ferdinand de Klerk kon in dat jaar zijn huur van de door hem bewoonde woning niet betalen. De huurschuld was opgelopen tot een bedrag van hfl. 45,-- en de eigenaar van het pandje had hem opdracht gegeven om het huis te verlaten. Waar hij heen moest, weten we niet. Hij had zijn inboedel keurig netjes uit het woninkje verwijderd, had de sleutels bij de herbergier ingeleverd, die de zaken waarnam voor de eigenaar, en was vertrokken.

 

Tot stomme verbazing van de kastelein was de woning de volgende dag alweer bewoond. Hij liep er naar toe, keek door de raampjes naar binnen en zag er Jan Baart, diens hoogzwangere vrouw en enkele kleine kinderen, verblijf houden. Ze hadden er hun schamele inboedel neergezet. Een tafel, wat stoelen en een kachel om het eten op te koken. De herbergier ging naar de deur en vond die van het slot, terwijl hij de dag daarvoor toch de sleutel in ontvangst had genomen en nog had gecontroleerd of de deur op slot was. Jan Baart weigerde het pandje te verlaten en zo kwamen de burgemeester en de marechaussee er aan te pas.

 

Baart, waarschijnlijk een opstandige geest, was werkloos en dat was voor een landarbeider in de maand mei hoogst ongebruikelijk. Hij moet het bij zijn laatste werkgever zodanig verbruid hebben, dat deze alle andere boeren in de omgeving had ingelicht, waardoor hij de landarbeid wel kon vergeten. Hij was op een uiterst slimme wijze in het woninkje terecht gekomen. Door wat te wriemelen met de wrakke voordeur was deze van het slot geschoten en zo kon hij niet beschuldigd worden van inbraak en kennelijk was dat nodig om beschuldigd te kunnen worden van wederrechtelijke betreding van een woning. Huur kon de man evenwel niet betalen en de eigenaar was niet genegen om hem daar, ondanks een vrouw die zo'n beetje op bevallen stond, eniget tijd te laten wonen. Het werd daarom het armenhuis voor de man, zijn vrouw en kinderen. En als je daar terecht kwam, dan hoorde je echt tot de onderste laag van de maatschappij.