Huisvesting van niks

Gemeentearchief
HOME  |  Rubrieken  |  Verhalen  |  Kapelle  |  Huisvesting van niks

Huisvesting van niks

Door Allie Barth

 

In 1901 kwamen er twee belangrijke wetten tot stand, de Woningwet en de Gezondheidswet. De eerste bepaalde onder meer, dat (ver)bouw van woningen vergunningplichtig werd en de tweede, dat er gezondheidscommissies in het leven zouden worden geroepen die een nauwgezette controle zouden uitoefenen op zaken als lucht-, water- en bodemverontreiniging. Op Zuid-Beveland kwamen er twee van die commissies, voor het oosten van het eiland en voor het westen. In 1905 bracht de commissie een bezoek aan Kapelle- en Biezelinge. Eerst bekeek men een pandje in Biezelinge, dat onbewoond was en dat was maar goed ook. Het woonkamertje had slechts een oppervlakte van 12 vierkante meter.

 

De houten vloer was verrot en de muren waren zo versleten dat de regen ongehinderd naar binnen kwam. De elementen hadden op het zoldertje vrij spel, zo rot was het dak. Het meest slechte pandje stond in het dorp Kapelle. De oppervlakte was nog geen vijftien vierkante meter. De vloer in het kamertje was van steen. De buitenmuren waren in slechte conditie en daardoor gedeeltelijk krom gebogen. Muren en vloer waren zeer vochtig. De planken zolder kon eigenlijk niet belopen worden, zo wrak was die. Het onbeschoten pannendak liet wind, water, sneeuw probleemloos door. Het huisje werd bewoond door de weduwe Wonderghem en haar zoon. De bewoonster was verplicht om 's avonds haar bed op de vloer op te maken.

 

De zoon sliep in de bedstee. Als die 's morgens naar zijn werk ging, dan kroop moeder nog even tussen de warme lakens van de zoon. Voor het huishoudwater was een stinkende welput beschikbaar. De regenbak voor drinkwater was lek. Ratten en muizen zaten elkaar in het huisje achterna. Wandluizen plezierden elkaar op de muur. De gezondheidscommissie adviseerde de gemeenteraad om de pandjes onbewoonbaar te verklaren, maar daar gingen de vroede vaderen niet zomaar mee akkoord. De huisjes konden toch worden opgeknapt. Burgemeester en wethouders zouden beter zelf een onderzoek kunnen instellen dan zo'n nieuwerwetse commissie, die de gemeente maar op kosten joeg. Maar ten laatste ging de raad morrend akkoord met het advies en verklaarde de woninkjes onbewoonbaar. De bewoonster kreeg zes maanden de tijd om nieuwe huisvesting te zoeken. De weduwe was arm en kwam zodoende terecht in de armenhuisjes van het burgerlijk armbestuur. En die waren bijna net zo slecht als het krot, waaruit ze was vertrokken.