Het Bier wordt duur betaald

Gemeentearchief
HOME  |  Rubrieken  |  Verhalen  |  Goes AA - ME  |  Het Bier wordt duur betaald

Het Bier wordt duur betaald

Door Leen Moerland

 

We bevinden ons in 1565 en wel op de vierde oktober. Het is een jaar voor het  beroemde jaar 1566, het jaar van de beeldenstorm in de Nederlanden en een aantal jaren voor wat in de vaderlandse geschiedenis bekend staat als de Nederlandse Opstand tegen Spanje.Maar in deze tijd doen zich ook hele kleine zaken met gewone mensen voor. Bij de baljuw, Floris Scaeck zijn zware klachten binnengekomen tegen Dignus Janse, schipper. Wat er allemaal gebeurt is, laat ons het volgende verhaal zien. In Goes is het op die vierde oktober een normale dag. Voor de herberg, die zich aan het begin van de haven bevindt, staat een groepje mannen. Het zijn Joachim Zagarus en enige collega's. Ze zijn met elkaar aan het praten over allerlei zaken. Joachim Zagarus is pachter van allerlei accijnsen van de stad en hij mag ook deze belasting op het bier innnen. Het is heel rustig bij de herberg tot het moment, dat Dinus Janse het pand verlaat. Op hetzelfde moment als hij dit doet, verschijnt er een schip, dat bier vervoert. Dit is afkomstig uit het Nieuwe Diep en op weg naar de stad om deze te bevoorraden met het edele gerstenat.

 

Dignus Janse, die blijkbaar nogal diep in het glaasje gekeken heeft, ziet Joachim Zagarus staan en begint meteeen in de richting van het schip te schreeuwen:" dese bierstekers en excyenaers maeken die dierte alhier int bier", met andere worden deze kerels zorgen ervoor, dat het bier in de stad vreselijk duur is. Waarschijnlijk heeft Dignus Janse al eerder aanvaringen met Joachim Sagarus gehad over de accijns op het bier.Maar het blijft echter niet bij schreeuwen. Dignis wordt steeds kwader en grijpt Joachim bij de nek en smijt hem ter aarde. Daarbij wordt Joachim ook nog verschillende keren in het gezicht geslagen. Joachim weet zich toch uit de klauwen van Dignus te ontworstelen. Hij zet het op een lopen en weet op een schip te springen. Dignus rent hem achtena met een getrokken mes en schreeuwt hem allerlei verwensingen naar het hoofd. Hij noemt hem een vleesdief en schelm en wanneer hij hem in de stad tegenkomt, zal hem zeker een mes in het hart steken. Het is maar goed, dat Joachim op het schip gesprongen is, want Dignus gaat zo tekeer, dat het hem zeker lijf of goed gekost zou hebben. Joachim gaat hierop naar de baljuw en dient een klacht in.

 

Dignus, die nu in de gaten krijgt, dat het fout gaat lopen, begeeft zich naar de stad. Als hij bij het visperk komt, ziet hij twee gerechtsdienaren zitten namelijk, Willem Struick en Adriaan Laureyss. Dignus denkt nu dat ze hem moeten hebben. Hij trekt een degen en vraagt hen of ze hem komen halen. De gerechtsdienaars weten echter van niets. Dignus gelooft hen niet en trekt Willem Struik met zeer veel kracht kwaadaardig aan zijn baard. Daarbij begint hij te vloeken en te tieren. Hij bedreigt Willem zijn hart uit het lijf te steken en hij zal het hem daarna laten opeten. De heren dienaars voelen zich bedreigd en richten hun geweer op Dignus. Een aantal arbeiders, die dit zien, denken dat Dignus Janse bedreigt wordt door de twee gerechtsdienaars en beginnen stenen te rapen om deze naar deze heren te werpen. De kreet gaat over straat: "vleys,vleys en werpt die rabauwen met steeenen". Dignus lacht in zijn vuistje, grijpt een steen en weet Adriaan Laureyss met deze steen aan zijn arm te verwonden. De arbeiders zien dit en trekken de conclusie dat Dignus de aanstichter is. Ze laten de stenen vallen. Ze belettten Dignus de gerechtsdienaars nog langer aan te vallen. Hadden zij dit niet gedaan, dan waren er zeker twee slachtoffers gevallen.

 

Dignus gaat er nu als een haas vandoor en rent naar zijn schip, alwaar hij een geweer haalt. Met dit geweer in de hand achtervolgt hij de dienaars. Via de haven gaat het naar de Grote Markt. Daarbij schreeuwt hij zulke verwensingen en vloeken, dat horen en zien vergaat. Ook gaat hij verder met bedreigingen aan het adres van Joachim Sagarus. Deze bedreigingen gaan van nu af aan dagelijks door. Daar Joaim Sagarus een officier en dienaar van de stad is, krijgt hij van de baljuw politiebescherming. Dignus wordt steeds brutaler en noemt Joachim een verrader, schelm en aanbrenger. De baljuw ziet in dat het zo niet langer kan en besluit Dignus te arresteren op grond van levensbedreigende uitingen en godslastelijke taal op de openbare weg. Op 16 mei 1566 wordt Dignus voor het gerecht gebracht en de beschuldigingen worden aan hem voorgelezen. Ontkennen van deze vergrijpen helpen hem niet, want er zijn nog al wat getuigen, die hem al die dagen bezig gehoort hebben. De beschuldigingen van levenbedreigende uitingen en godslastering worden dan ook bewezen geacht en de rechtbank neemt het besluit om

 

Dignus Janse te veroordelen om voor het stadhuis op het schavot te gaan staan. Hier wordt dan met een gloeiende priem zijn tong doorstoken.Verder wordt hij voor de tijd van vijftig jaar uit Goes en Zuid-Beveland verbannen. Dit is echter nog niet alles. Deze vijftig jaar moet hij door brengen op de galleien van de koning. Doet hij dit niet, dan wordt hij ter dood gebracht. Dignus probeert nog in hoger beroep te gaan, maar de burgemeeesters en schepenen van de stad wijzen dit af en Dignus moet zijn straf ondergaan. Ook moet hij de kosten van het strafproces betalen. Dit gebeurt nu in vroeger tijd wanneer men belastingsambtenaar van het bieraccijns onheus bejegent. Dignus trekt aan het kortste eind.