Dominee deugde niet

Gemeentearchief
HOME  |  Rubrieken  |  Verhalen  |  Kortgene  |  Dominee deugde niet

Dominee deugde niet

Door Allie Barth

 

Christiaan Keuvelaar en Pieter Heijman kregen in 1763 een proces aan de broek wegens het verzuimen van de kerkdiensten in Kortgene. Nu gingen er in die tijd wel meer mensen zondags niet naar de kerk. Dat was niet zozeer het probleem. Zij en 27 anderen waren evenwel niet meer gediend van de preken van de dominee. Die was kennelijk niet rechtzinnig genoeg. Ds Dignus Johan Caspar Frederik Veltkamp mocht door het bestuur van Kortgene alleen al op grond van zijn naam een "waardig predikant in dese gemeente" worden genoemd, zijn gemeenteleden waren toch een andere mening toegedaan. Vooreerst was dominee nogal ruw in de mond. Woorden als "duivels"en "donders" doorspekten dominee's conversatie met zijn gemeenteleden en er waren zelfs woorden bij die Keuvelaar en Heijman niet eens durfden te spreken. Maar ook de uitleg van de Heidelbergse Cathechismus, die elke zondag in de middagdienst werd behandeld, mocht niet de instemming van beide beklaagden hebben. Zij deden daarom wat er in de negentiende en twintigste eeuw veelvuldig zou gebeuren. Ze begonnen zelf kerkdienstje te spelen. In zo'n klein dorp is alles natuurlijk snel bekend. Bovendien moet het de predikant vanzelfsprekend zijn opgevallen dat hij in een klap bijna dertig mensen minder onder zijn gehoor had. Zo groot is de kerk in Kortgene nu ook weer niet. Hij zocht ze op en vermaande ze om dergelijke praktijken niet meer uit te voeren. Doch tevergeefs. De volgende keer schitterde de groep weer door afwezigheid. Sterker nog, ze hadden iedereen opgeroepen om niet naar de kerkdienst te gaan. Dat nam de dominee niet en hij deed zijn beklag bij baljuw en schepenen. De baljuw bracht een bezoek aan de woning waar het conventikel werd gehouden. Hij kwam binnen en vroeg wat er aan de gang was. Maar de opstandige Kortgenaars riepen hem toe dat hij moest gaan zitten en zwijgen en op teken van Heijman begonnen ze een psalm te zingen. Hij kreeg daarna de mededeling, dat hij maar op moest hoepelen. Ze waren bijeen met 29 personen en daarom gold de bijeenkomst niet als een openbare vergadering. Op grond van de hem aangedane belediging eiste de baljuw een boete van 30 pond vlaams. Inderdaad waren er niet meer dan 29 personen geweest en dat mocht. Eenzelfde bepaling over het houden van onwettige bepalingen kwam in het negentiende eeuwse strafrecht terecht en daarom gingen de mensen bij de godsdiensttroebelen van 1834-1841 ook vaak met ten hoogste 29 personen kerkdienst houden om boetes van de overheid te voorkomen. Tussen de predikant en de twee "oproerkraaiers" is het nooit meer goed gekomen.