De rompslomp van de achterblijvers

Gemeentearchief
HOME  |  Rubrieken  |  Verhalen  |  Kortgene  |  De rompslomp van de achterblijvers

De rompslomp van de achterblijvers

Door Allie Barth

 

Op 16 mei 1788 kreeg baljuw Kieboom van Kortgene de mededeling, dat Jan Reijnhout zich op de zolder van het huis van Jan Karman, bij wie hij inwoonde, had opgehangen. Naar de redenen kon men slechts gissen. De dood kwam onverwacht. Zelfdoding gold toen nog als een misdrijf. Het was gebruikelijk om een proces tegen de dode te beginnen. In de zestiende eeuw hing men het lichaam meestal op aan de galg, "anderen ten exempel" zoals dat heette. De botten die achterbleven, begroef men meestal onder de galg.Voor de achterblijvers betekende het vooral: met schande overladen worden. Iemand, die zelf een einde aan zijn leven maakte, mocht ook niet in de gewijde aarde van het kerkhof worden begraven. In de achttiende eeuw dacht men daar in protestantse kringen ruimer over, zoals hierna zal blijken. Zelfdoding kwam zeer regelmatig voor. In dergelijke gevallen haalde men eerst de chirurgijn erbij, die moest vaststellen, dat de man of vrouw in de strop daadwerkelijk was overleden. Daarna moest de man kijken of de overledene vermoord was of niet. De nazaten van Jan Reiinhout richtten zich tot het bestuur van Kortgene met het verzoek, nu van een moord door een ander niet was gebleken, om toestemming het dode lichaam te kisten en netjes te begraven. Dan was een door de baljuw in gang gezet proces niet meer noodzakelijk en bleef de familie de schande bespaard. Het verzoek werd aan de baljuw voorgelegd. Deze constateerde dat "zoodanige persoon op dat oogenblik als denzelven tot een stap van zelfmoord overgaat van zijne reedelijke vermoogens is berooft en dus door een vlaag van krankzinnigheid openstaat voor alle ongelukken welke een mensch kan overkoomen", zodat hij geen bezwaar had tegen een ordentelijke begrafenis, mits die plaats zou vinden in het donker op een hoek van het kerkhof. Zelfdoding in dit geval was dus gekkenwerk! De nabestaanden moesten wel een bedrag van duizend caroliguldens betalen. Dat was een zeer grote som geld.