Behandeling van vreemdelingen

Gemeentearchief
HOME  |  Rubrieken  |  Verhalen  |  Goes AA - ME  |  Behandeling van vreemdelingen

Behandeling van vreemdelingen

Door Allie Barth.

 

Wij kunnen er vandaag de dag wat van: de opvang van vreemdelingen. In de negentiende eeuw worstelde men evenzeer met de vraag hoe de opvang van vreemdelingen te regelen. Op 20 oktober 1851 zette de politie van Rotterdam de zestienjarige Carl Papst, geboren in Beieren, het land uit. Was hij een kind van een pastoor? We weten het niet. Deze avontuurlijke jongeman was schoenmaker van beroep en in dat jaar 1851 was hij aan de wandel gegaan. Hij had papieren, een zogenaamd Wanderbuch, maar dat kennelijk onvoldoende, want de Franse politie zette hem onmiddellijk weer over de grens. Hij trok toen naar Pruissen en via dat land ging hij naar Belgie. Via Antwerpen reisde hij naar Axel en Terneuzen. Hij stak de Westerschelde over en trok naar Goes, waar de politie hem aanhield. Hij had zestig cent op zak en op dat moment geen papieren. Van de Officier van Justitie kreeg hij een papier, waarin hem toestemming werd verleend om werk te zoeken in ons land. In Goes bedelde hij bij een Goesenaar nog een gulden bij elkaar, waarop hij naar Zierikzee trok. Hij kon daar geen werk vinden en vertrok op aandrang van de burgemeester naar Brouwershaven. De burgemeester van die plaats liet hem een nacht in de cel slapen en stuurde hem weer terug naar Zierikzee. De burgemeester daar was niet blij met zijn terugkomst en gaf hem een vrijbiljet op de boot naar Rotterdam, waar hij met tien cent in de portemonnee aankwam. Daar werd hij door de politie in de kraag gevat en op de boot naar Mainz gezet. In Rotterdam maakte men korte metten met vreemdelingen, die geen werk, geen inkomen en geen huisvesting hadden. In diezelfde maand zette men daar nog eens drie vreemdelingen buiten de deur.