Het Ambacht Kloetinge

Gemeentearchief
HOME  |  Rubrieken  |  Terugbladeren in Samenspel  |  Het Ambacht Kloetinge

Het Ambacht Kloetinge

 

RUBRIEK ‘Terugbladeren in Goes’, overgenomen uit gemeentelijk voorlichtingsblad ‘Samenspel’

2e jaargang no. 2 – april 1971

 

Het ambacht Kloetinge wordt in 1216 genoemd en behoorde tot 1310 aan het kapittel van Sint Pieter te Utrecht. In dat jaar kwam Graaf Willem III in het bezit hiervan.

In de veldboeken of overlopers wordt het ambacht onderverdeeld in het Zuid-, Middel- en Noord-Ambacht. (Een veldboek of overloper is het register, waarin de landerijen en hun eigenaars werden aangetekend en het diende als grondslag voor de verdeling van o.m. de dijklasten). Er lagen eertijds de volgende gehuchten: ’s-Heer Elsdorp, Bordenloo, Mannee, de Groe (waar een kapel, gewijd aan Sint Maarten, stond), Tervaten, Waenskinderen, Blaemskinderen en Abbekinderen.

 

In 1331 was het ambacht 3821 gemeten groot en bedroeg het aantal ambachtsheren 59. In 1439 was het aantal ambachtsheren teruggelopen tot 28 en in 1515 tot 12. Het grote getal ambachtsheren vond zijn oorzaak in het feit, dat in Kloetinge de lage adel sterk vertegenwoordigd was. Het aantal ambachtsheren nam af naarmate de hoge adel een sterkere greep op het ambacht kreeg.

 

In de 2e helft van de 15e eeuw kwam het ambacht in het bezit van het geslacht van Borssele. Graaf van Grandpré en van Bouchain, Heer van Veere, Vlissingen, Westkapelle en Domburg, kwam het ambacht in het bezit van zijn dochter Margaretha van Borsselen. Door haar huwelijk met Walraven van Brederode ging na haar dood de heerlijkheid Kloetinge op haar zoon Wolfert van Brederode over. Wolfert van Brederode, die gehuwd was met Adriana Bacx, vrouwe van Asten, woonde meestal te Utrecht; hij overleed in 1548 te Oosterwijk en werd te Vianen begraven. Na zijn dood kwam de heerlijkheid in het bezit van zijn zoon Reinoud van Brederode.

 

Het ambacht bleef in het bezit van het geslacht van Brederode tot het in 1704 verkocht werd aan Mr. Cornelis de Jonge van Ellemeet, geboren te Brielle op 6 mei 1646 en overleden te ’s-Gravenhage op 12 mei 1721. Hij was ook Heer van Ellemeet, in Elkerzee, van Schipluiden, Dalem, Poortvliet, Sint Maartensrecht en Hodenpijl. Hij huwde op 31 december 1679 met Maria Oyens, uit welk huwelijk Mr. Aernout de Jonge van Ellemeet  (geboren te ’s-Gravenhage op 15 november 1683 en overleden te Delft op 27 januari 1737) voortkwam, die de volgende Heer van Kloetinge werd.

 

Mr. Aernout de Jonge van Ellemeet huwde op 21 november 1713 met Johanna van Bleyswijck, uit welk huwelijk Cornelia Maria de Jonge van Ellemeet op 3 maart 1716 te Delft werd geboren en die later Ambachtsvrouwe van Kloetinge werd. Door haar huwelijk te Schipluiden op 3 februari 1739 met Adolph Julius Burchard, Baron van Huffel (geboren in 1708 en overleden in 1762; zoon van Frederik Johan Burchard, Baroen van Huffel, en Judith Aleida, Gravin van Rechteren), werd deze de nieuwe Ambachtsheer.

 

Op 6 juni 1765 kocht Mr. Willem van der Bilt de Heerlijkheid Kloetinge van A.P.Z. Graaf van Rechteren, Vrijheer van Almelo en Vriezenveen, enz. enz., en van L.C. de Graaf van Rechteren tot den Dam, Generaal-Majoor enz. enz., voogden over de minderjarige Joachim Adolph, Graaf van Rechteren, Heer tot Rechteren, Schuylenburgh en de Eeze, verwant van Adolph Julius Burchard, Baron van Huffel. In de “verkoop-condities” is o.m. te lezen dat in genoemd jaar de Heerlijkheid Kloetinge 3457 gemeten en 212 roeden groot was. Bij het beroepen van een predikant had de ambachtsheer in het “Collegium Qualificatum” 2 stemmen. Door hem werden ook schout en schepen, secretaris, gerechtsbode, schoolmeester enz. aangesteld.

 

Voorts had hij de vrije jacht en visserij in zijn ambacht. Uit bovengenoemde condities blijkt voorts, onder de rubriek inkomsten, dat de molen in het ambacht voor een bedrag van £ 42 : 0 : 0 per jaar verhuurd werd, De timmerman had jaarlijks de ambachtsheer £ 3 : 0 : 0, de smid £ 1 : 0 : 0 te betalen voor zijn aanstelling als timmerman, respectievelijk smid.

 

Mr. Willem van der Bilt – geborente Goes op 16 augustus 1720 en overleden te Goes op 15 april 1786 – Heer van Kloetinge, Kapelle, Eversdijk en Bath, Burgemeester en Raad van de Stad Goes, was de eerste Ambachtsheer van het geslacht van der Bilt. Na zijn overleden werd Zijwert Diderik van der Bilt – geboren te Goes op 23 mei 1749, overleden te Kloetinge. Op zijn kosten werd door H.H. Hess, orgelbouwer te Gouda, in 1786/1787, een orgel voor de kerk van Kloetinge vervaardigd. Het werd op 27 mei 1787 door de predikant Petrus Wilhelmus Lamotthe ingewijd met psalm 104 vers 33 en 34.

 

Hubertus Marinus van der Bilt – geboren te Goes op 13 juli 1774, overleden te Kloetinge op 26 maart 1842, was de volgende ambachtsheer.

 

Na diens overlijden kwam de Heerlijkheid door koop in het bezit van Johan Cornelis Clotterbooke Patijn.

 

De huidige Ambachtsvrouwe is Mevrouw I.M. Radermacher Schorer-Clotterbooke Patijn.