Oude maten en gewichten

HOME  |  Documenten  |  Oude maten en gewichten

Oude maten en gewichten

Begin augustus verscheen een belangrijk boek, een naslagwerk over oude maten en gewichten in Zeeland. Bert Boonman maakte ooit aan de hand van oude bouwtekeningen een maquette van de Goese watergetijdemolen en merkte toen dat zo'n naslagwerk nog niet bestond. En dat was de aanleiding voor een lang en grondig onderzoek.
 

'Oude Maten en Gewichten in Zeeland, Het  honderd Zeeuws, de Goese houtvoet, mudden, mijlen en munten'
door Bert Boonman
.
 

Bert Boonman (links) en Derk Alssema


Op 5 augustus overhandigde hij het eerste exemplaar aan wethouder Derk Alssema.

Daarna kon hij een diepe zucht slaken. Acht jaar is hij ermee bezig geweest. Niet continu natuurlijk, maar toch. Het was een groot karwei.


Goese houtvoet
 

Bert Boonman is waterbouwkundig ingenieur en molenaar op molen De Koornbloem in Goes. Hij deed aanvankelijk een studie naar de molens in Goes en wilde daar eigenlijk een boek over maken, maar daar bleek een ander al mee bezig. In het archief was hij de bouwtekeningen uit 1641 tegengekomen van de oude watergetijdemolen aan de Kleine Kade, nu het Soepuus, en zo ontstond het idee deze op schaal na te maken.
 


Links de watergetijdemolen aan de Kleine Kade in 1793, tekening door J. Bulthuis.


In de bestekken werd gerept van voeten en duimen, maar er stond niet bij welke voet. Hij moest wel aannemen dat de Goese houtvoet bedoeld werd, een in Goes zeer bekende en gebruikelijke maat, maar het zat hem toch niet helemaal lekker. Iets klopte er niet. Hij is in de literatuur gaan zoeken, maar vond niets dat erop wees dat het iets anders dan de Goese houtvoet zou moeten zijn.

Op een gegeven moment begon hij te twijfelen aan de juistheid van Goese maten die in de literatuur vermeld staan, zoals in het standaardwerk van J.M. Verhoef, en toen is hij er helemaal in gedoken. Zijn intuïtie bleek juist. In de tekeningen van de watermolen bleek de Blooise voet gehanteerd te zijn. Hij ontdekte dat die gelijk is aan de Middelburgse houtvoet en toen wist hij het helemaal zeker, want hij had ook ontdekt dat de ontwerper/steenhouwer, Jan Hostens of Hodse, uit Middelburg kwam. Op het bestek stond zijn naam niet vermeld, maar in een rekening uit het Goese archief vond hij hem.
 

Bert Boonman met de maquette van de watermolen in 1985. Op de achtergrond molen De Koornbloem.
 

Detail van de maquette.


Handel
 

Hij heeft heel wat pagina's moeten verstouwen. De bibliografie van zijn boek bevat ruim tweehonderddertig titels. Vooral boeken over scheepsbouw leverden hem veel gegevens op. Nog niet meegerekend zijn de archiefstukken die hij als bron gebruikte, dat zijn er duizenden. Zijn zoektocht bracht hem, behalve naar het archief van Goes en alle andere Zeeuwse archieven, ook naar de archieven in Antwerpen, Gent, Bergen op Zoom, Dordracht en Den Haag. Voor de handel tussen deze steden was een betrouwbaar omrekensysteem van maten en gewichten, én van geldeenheden, natuurlijk van het grootste belang. In steden die veel handel met elkaar hadden, werden soms dezelfde maten gebruikt. Zo is de graanmaat in Goes dezelfde als die in Antwerpen. En een Zeeuws pond is hetzelfde als dat van Antwerpen.


Koppel appelen
 

Alle keuren van deze steden doorzocht hij op informatie over oorspronkelijke maten en gewichten, maar de opbrengst daarvan viel tegen. Meestal stond er niet meer in dan dat het gebruiken van valse gewichten niet toegestaan was.
 


Besluiten en ordonnanties van stadsbesturen doorzocht hij ook. In het Felixarchief in Antwerpen vond hij veel over de zouthandel en de daarbij gehanteerde gewichten. In Gent waren vroeger zogenaamde Korenboekjes in gebruik, waarin vergelijkingen staan van de maten van koren in verschillende steden, en deze waren ook een belangrijke bron. Waar hij vooral veel aan gehad heeft, zijn de tolrekeningen van het tolhuis van Yersekeroord, zoals W.S. Unger die beschrijft. Alle schepen die tussen 1300 en 1600 het tolhuis passeerden, zijn bekend én wat ze vervoerden. Zoals appels, steenkolen en meekrap. Daar leerde hij bijvoorbeeld dat met een 'koppel appelen' twee vaten appelen bedoeld werd. Uit de tolrekeningen kon hij, door terug te rekenen, het honderd Zeeuws bepalen, een veel gebruikte vrachtmaat van graan en zout.
 

Goese handschriften
 

Vooral in het Goese archief had hij prachtige bronnen tot zijn beschikking. Zo is er het document uit 1805 van Johan Frederic Metzger, 'stadsfabriek' (stadsopzichter) van Goes. Een blad papier waarop ingewikkelde berekeningen staan over het wegen van regenwater. De Goese houtvoet is als lengtemaat uitgedrukt in een inhoudsmaat, met water dat gewogen werd. Men wist in die tijd wel dat het verschil uitmaakte of het water zoet of zout was, maar nog niet dat de temperatuur en de luchtdruk ook een rol spelen.
 

'Raport' van F.J. Metzger over o.a. het wegen van regenwater


En dan is er nog het unieke handschrift uit de eerste helft van de zeventiende eeuw van Cornelis Franssen Eversdijck, de internationaal vermaarde Goese wiskundige. Van dit werk hebben meerdere exemplaren bestaan, in het Goese archief berust het enige nog bestaande. Bijzonder van het boekje van Eversdijck is onder meer dat hij de exacte maten van de Goese houtvoet en andere maten op papier uittekende. Eversdijck was vooral bekend door een ander boek, het Pasteboek van den broden, waarin hij in tabellen de juiste samenstelling van brood geeft, en dat honderden jaren lang in heel de Republiek gebruikt werd.


Rekenfouten


Als Bert Boonman zich aan iets gezet heeft, dan laat hij niet los. Hij zoekt alles uit, rekent alles na. Het is een soort afwijking van hem, zegt hij zelf. Aan afronden doet hij niet, hij gebruikt getallen met eindeloos veel cijfers achter de komma. Logaritmische berekeningen waren vroeger heel wat moeilijker dan tegenwoordig met een rekenmachine en daarmee had hij een voorsprong op de mensen van vroeger. En zo kwam het dat hij een fout ontdekte in de zoutmaten die tot nu toe in de literatuur worden vermeld.

In de Gentse Korenboekjes uit 1537, 1546, 1587 en 1678 en de Antwerpse/Amsterdamse boekjes uit 1590 en 1668 worden o.a. de zoutmaten en graanmaten vergeleken. Hieruit blijkt dat zoutmaten, waarmee het zout werd afgemeten, meestal sterk verschillen van de graanmaten. In de literatuur is dit voor wat betreft de Zeeuwse zoutmaten nooit onderkend. 


Primeur


Honderd keer heeft hij het opnieuw berekend, hij ging er heel wat keertjes opnieuw voor naar het Felixarchief in Antwerpen en de Zwarte Doos in Gentbrugge en uiteindelijk wist hij zeker dat het honderd Zeeuws zout circa 17.500 liter is in plaats van 11.400 liter, zoals in de literatuur wordt vermeld. Ook de lengte van de Goese houtvoet zoals die in de literatuur wordt vermeld, is onjuist. De fout is in een opgave van verhoudingen geslopen in het landmeetkundeboek van Van Nispen in 1664 en in volgende drukken klakkeloos overgenomen. 

Niemand uit het vak had de fouten nog ontdekt. Zoiets is natuurlijk wel een leuke primeur voor zijn boek!


Opbouw van het boek


In de inleiding van zijn boek beschrijft hij de historische achtergrond, de handel, de veranderingen in de grenzen. Het schijnt dat Karel de Grote er al naar streefde om eenheid in de maten en gewichten te brengen in zijn gehele rijk. De Romeinen misschien ook, maar dat is koffiedik kijken. De gegevens die Boonman verzameld heeft, dateren van de veertiende eeuw tot aan de begin negentiende eeuw, als Napoleon het metrieke stelsel invoert.
Hij beschrijft mijlen en karteringen en per stad of dorp de landmaten, de houtvoeten, ellematen, gewichten, graanmaten, zoutmaten, appeltonnen, koolmaten, kalkmaten, trasmaten, turfmaten, meekrapmaten, brandhoutmaten en natte inhoudsmaten voor o.a. wijn, bier, olie en azijn. Ook het ijken en de manieren waarop het meten en wegen eraan toeging, krijgen uitgebreid aandacht. Naast de Zeeuwse maten en gewichten vermeldt hij ook die van diverse steden in Vlaanderen, Brabant en Holland. De oorsprong van de Zeeuwse maten en gewichten blijkt vooral in Vlaanderen en Brabant te liggen. Van de verschillende landmaten in Zeeland, zoals de Blooise en de Schouwse roede, heeft hij de oorsprong onderzocht.
Uitgebreid gaat hij in op de verschillen in handelsmaten van droge goederen, zoals het last, het hoed, het honderd, de wage, de schaal, de zeve, het viertel en het achtendeel. Van de natte inhoudsmaten heeft hij de inhoud van de aam, de stoop en de pint van een aantal steden vergeleken en de verschillen in gewichten bepaald.
Aan de muntstelsels wijdt hij een apart hoofdstuk.

Alles wijst er op dat zijn boek een standaardwerk gaat worden. Heeft hij ooit overwogen om met dit onderzoek te promoveren? Dat is hem vaker gevraagd, maar dat was niet zijn bedoeling.


Jacobsstaf


Het grote werk is gedaan. En nu? Hij is al met iets anders bezig. Voor het museum in Zierikzee maakte hij een paar jaar geleden een replica van een Jacobsstaf van perenhout.
 

De door Bert Boonman vervaardigde replica van een Jacobsstaf.


In de museumcollectie bevond zich namelijk een latje met maten, waarvan nog niet vastgesteld wat het was. Bert Boonman kwam erachter, dankzij enige kennis van goniometrie. Het voorwerp, ze zijn vrij zeldzaam, was niet direct herkend als Jacobsstaf doordat de vleugels ontbraken. Zo'n stok werd op schepen gebruikt bij het bepalen van de positie door de hoek van de zon of een ster ten opzichte van de horizon te bepalen. Nu is hij bezig met weer een scheepsinstrument, een pleinschaal (parallineaal) afkomstig uit het wrak van het Zeeuwse VOC-schip 't Vliegend Hert, die zich in de collectie van het Muzeeum in Vlissingen bevindt. En in de toekomst komen er ongetwijfeld meer van dergelijke projecten en projectjes op zijn pad.


Lezers


Wie zijn de lezers van het boek? Allereerst de leden van de Gewichten en Maten Verzamelaars Vereniging, waartoe Bert Boonman zelf ook behoort. Deze vereniging brengt het blad Meten en Wegen uit. Ook voor mensen die onderzoek doen, naar de handel in de tijd voor Napoleon bijvoorbeeld, is het interessant. Voor mensen die iets restaureren en met oude bestekken werken. En bij de archieven en technische universiteiten en bibliotheken is er ongetwijfeld ook belangstelling. Sommige vragen zijn onopgelost gebleven, door gebrek aan bronnen. Als zodanig is het boek, zo geeft hij aan, ook een hersenkraker. "Een verschrikkelijk boek eigenlijk!"
 


Het boek omvat 452 pagina’s en 178 afbeeldingen. De vormgeving is verzorgd door Peter Priester, auteur van o.a. 'Geschiedenis van de Zeeuwse landbouw, circa 1600 - 1900'. Het boek is te koop in de Zeeuwse boekhandels voor 65 euro en op www.oudematenengewichten.nl voor 65 euro excl. verzendkosten. De oplage is beperkt.      


Augustus 2015