Op zoek naar de rederijkers

Gemeentearchief
HOME  |  Documenten  |  Op zoek naar de rederijkers

Op zoek naar de rederijkers

Op zoek naar de rederijkers  


Waar zouden de archieven zijn zonder vrijwilligers? Met vaak jarenlange inzet werken zij aan de digitale ontsluiting van de collectie. Zo leveren zij een gestage toestroom voor de website en vergemakkelijken het werk voor onderzoekers.

Jaap Oostdijk, Saar Oostdijk en Maps Torbijn – Reijnhout (v.l.n.r.) zijn kortgeleden begonnen aan een grote klus: het zoeken, transcriberen en digitaliseren van teksten over de rederijkers in de collectie van het Gemeentearchief. Dit doen zij ten behoeve van het grootschalige onderzoek van de Universiteit Gent en de Rijksuniversiteit Groningen naar de rederijkers in o.a. Zeeland. 

Hoe is de taakverdeling? Jaap Oostdijk zoekt de stukken op, en alledrie transcriberen ze. Jaap, voor zijn pensionering werkzaam bij het Gemeentearchief, zoekt aan de hand van een lijst met mogelijke vindplaatsen de te onderzoeken stukken op. Die lijst is opgesteld door projectleider Arjan van Dixhoorn van de Universiteit Gent. Als Jaap vervolgens iets over de rederijkers tegenkomt, kopieert hij de teksten en dan gaan ze naar de dames, om ze te ontcijferen. Niet de heel makkelijk leesbare teksten, want die tikt hij zelf wel even over. Mevrouw Torbijn: “We vinden het alleen leuk als het moeilijk is, we zijn geen typistes hoor!” Het lezen is lastig, steeds een ander handschrift. Soms komen ze er niet uit. Dan bekijkt Saar de originele tekst in de studiezaal, want dat gaat natuurlijk beter dan vanaf een kopie. En bij twijfel vragen ze het aan archiefmedewerker Frank de Klerk.

Saar Oostdijk en Maps Torbijn – Reijnhout

"Het is alleen leuk als het moeilijk is."

Hebben ze plezier in het werk? Jaap: “Dat wel, maar je vindt slechts snippertjes. Soms is het wel eens frustrerend, als je urenlang zoekt en niets vindt. Laatst heb ik negenenveertig bladzijden moeten lezen om één klein stukje te vinden dat met de rederijkers te maken had.”
De stukken die ze doorvlooien stammen uit de periode 1450 – 1750. De opleving van de rederijkerskamers in de negentiende eeuw valt buiten het onderzoek. Vooral in het ‘Archief van de Stad Goes’ wordt gezocht: “In de ingekomen stukken en notulen kan iets over de rederijkers staan. Dat weet je nooit van tevoren. Je leest een stuk over de honderdste penning en dan moet je het helemaal uitlezen zonder dat je weet of je iets zult vinden.” Als het raak is, is het leuk. Zo kwam hij in de notulen van de kerkenraad laatst een stuk uit 1620 tegen waarin bezwaar werd gemaakt tegen de feesten van de rederijkers. Want feesten konden ze, de rederijkers. Ze maakten gedichten en toneelstukken en luisterden daarmee hun eigen feesten én die van anderen op. “Puur publieksvermaak”, zegt Jaap.  

 

Jaap Oostdijk

"Soms urenlang zoeken voordat je iets vindt."

Retorica, retrike, rhetorijcke

Het zoeken is nog niet zo gemakkelijk. Er zijn veel woorden die een verwijzing kunnen bevatten. Retorica bijvoorbeeld, dat lijkt makkelijk. Maar al die spellingsvarianten retorike, retrike, rhetorijcke, rhetorijcke of retrosijns, en dat is nog maar een handjevol. En natuurlijk de bekende namen Nardusbloem, De edele Castanienbloem, Goudtsblome en Clisblome. Verder alle varianten op camer, geselscap, gezelle, gilde en broederschap. En van woorden als toog, batement, spel van sinne, refereijn, cluchte, lied enzovoort.

De administratie van hun zoektocht is niet minder eenvoudig. Hiervoor hebben ze uitvoerige instructies gekregen van Arjan van Dixhoorn. Van elke vindplaats moet heel precies notitie gemaakt worden. En een lijst van stukken waarin gezocht maar niets gevonden is, moet ook bijgehouden worden.

De dames werken thuis. Elke maandagmiddag komen ze bij elkaar. Dan controleren ze elkaars transcripties. Vaak valt er iets te lachen als ze aan het werk zijn. Bijzondere verordeningen van vroeger bijvoorbeeld, dat elk huis verplicht een ladder moest hebben, in verband met brand. En soms ook gewoon om niets. Ze kunnen het goed met elkaar vinden, het klikte vanaf het begin.

In het eerste begin van hun samenwerking, meer dan twintig jaar geleden, transcribeerden ze samen delen van het Archief van de Stad Goes en daarna de rechterlijke archieven van Wolphaartsdijk en Hoedekenskerke. Aanvankelijk deden ze allebei dezelfde tekst en lieten elkaar dan de transcripties lezen. Dat is nu niet meer nodig, zo bedreven zijn ze erin geraakt. En ze vullen elkaar aan. Soms ziet de een meteen waar de ander zich suf op staart. En wat ook wel voorkomt is dat ze iets maar niet kunnen ontcijferen, het een paar dagen laten liggen, en het dan opeens zien. Heel precies zijn ze. Staat er nu ‘de’ of ‘den’? Het móet goed zijn. Een woordenboek met vreemde woorden houden ze altijd bij de hand. En ook houden ze zelf een lijst bij van moeilijke woorden die ze tegenkomen.

 

Jaap en Saar Oostdijk en mevrouw Torbijn

"Met zijn drieën al heel wat transcriptieklussen gedaan."

“Mevrouw Torbijn uw mond houden!”

Saar heeft, nadat ze rond 1980 de cursus oud schrift gedaan had, eerst beschrijvingen van huizen in de binnenstad gemaakt. Dat beviel haar maar matig. Ze deed het werk in haar eentje in een donkere ruimte in het oude gebouw aan de Wijngaardstraat en er zat weinig uitdaging in. Ze wilde er al bijna mee stoppen, toen ze gevraagd werd om samen met mevrouw Torbijn teksten uit de Tachtigjarige Oorlog te transcriberen. Over Spanjaarden op strooptocht in de Poel en meer van die vandaag de dag onvoorstelbare gebeurtenissen. Later hebben ze met zijn drieën nog een heel grote klus gedaan, het transcriberen van een flink deel van de charters uit de collectie van het Gemeentearchief.

Voor mevrouw Torbijn begon het in 1984 met een vraag van een professor in een academisch ziekenhuis naar haar stamboom in verband met een zeldzame huidziekte die ze heeft. Genealogische kennis is daarbij belangrijk. Zo kwam ze bij het Genealogisch Centrum terecht, destijds in het gebouw van het Gemeentearchief in de Wijngaardstraat. Ze had het zo voor elkaar en kreeg een pluimpje van de professor: zo’n mooie stamboom hadden ze nog nooit gezien. Ze heeft na die stamboom ook klussen voor het Genealogisch Centrum gedaan. Ze vond het leuk en gaf zich op voor de cursus Oud Schrift. Bij Leen Moerland van het Gemeentearchief. Toen bleek ook weer dat ze er een kei in is. Regelmatig moest Leen zeggen: “Mevrouw Torbijn uw mond houden, want u gaat veel te snel.”

Elke dag

Wat was hun eerste kennismaking met de rederijkers? Mevrouw Torbijn vertelt dat in de oorlog bij haar in huis een Hollandse soldaat ingekwartierd zat die lid was van een rederijkerskamer. Jaap wist ervan van school, bij de Nederlandse les, de Muiderkring enzo. En Saar noemt een boek van Helsoot met spelletjes uit de tweede helft van de negentiende eeuw, waarin de rederijkers ook voorkomen. 

Ze hebben naar schatting nu een kwart van het werk erop zitten, dus ze gaan nog wel even door. Mevrouw Torbijn, met haar 91 jaar de oudste vrijwilliger van het Gemeentearchief, denkt er ook nog niet aan om te stoppen. Zeker nu ze haar andere hobby, kunstknippen, niet meer kan uitoefenen. “Het transcriberen is een hobby die werk geworden is. Soms, als er veel teksten zijn, dan zijn we er elke dag wel mee bezig.” 


Juni 2012