Oktober: opgegraven geschiedenis: verdronken dorpen

Gemeentearchief
HOME  |  Documenten  |  Oktober: opgegraven geschiedenis: verdronken dorpen

Oktober: opgegraven geschiedenis: verdronken dorpen

Naar overige maandthema's Jaar van het Cultureel Erfgoed


Verdronken dorpen in de gemeente Goes

Op de lijst met verdronken dorpen in Zeeland staan er drie die binnen de gemeente Goes liggen: Oostkerke, Westkerke en Hongersdijk. Deze dorpen lagen/liggen rond het centrale dorp Sabbinge of Oud-Sabbinge.


Oostkerke

Het middeleeuwse Oostkerke verdwijnt in 1334 in de golven, om later weer opgebouwd te worden. Het is het oostelijk gelegen dorp op het vroegere eiland Wolphaartsdijk.
 

Wapenschild Oostkerke uit 1862, voorstellende drie zilveren wassenaars (wassende maan) op een blauw veld (hoogte 13 cm., breedte 12 cm). Het schild bevindt zich, met verschillende andere wapenschilden, in de Nicolauskerk (ook wel Oostkerk) in Wolphaartsdijk. Foto M.J. de Regt.


Rond 1960 besluit het bestuur van de gemeente Wolphaartsdijk dat het met de opkomst van de recreatie rond het Veerse Meer beter is om de naam Oostkerke door Wolphaartsdijk te vervangen. Zo wordt de naam van het eiland de naam van het dorp. Geen overstroming maar een pennenstreek doet de naam Oostkerke verdwijnen.


Westkerke

Het middeleeuwse dorp Westkerke valt ten prooi aan een vloed die in 1377 Zeeland teistert. Tot herbouw komt het niet meer; wel krijgt een polder die veel later wordt gewonnen de naam Westkerkepolder.
 

De Westkerkepolder in 1699


Resten van het verdronken dorp komen in het bouwland te liggen. In de negentiende en twintigste eeuw komen bij het ploegen archeologische resten boven de grond, onder meer sarcofagen.


Aardappeloogst in de Westkerkepolder bij boerderij Van Strien, ca. 1920.
 

Hongersdijk

Verder naar het oosten, dus voorbij Oostkerke, lag er nog een dorp op het eiland Wolphaartsdijk: Hongersdijk. De overstroming van 1334 teisterde zowel Oostkerke als Hongersdijk. Ook dit laatste dorp kwam weer boven water, naar verluidt in 1429. Het moet een klein onbetekend dorp zijn geweest, dat vrijwel niet in de bronnen voorkomt.

Er woonden wel brutale mensen. In 1478 escorteerde het Middelburgse stadsbestuur de nieuwe landsheer Maximiliaan van Habsburg naar Goes. In het gezelschap van Lodewijk van Gruuthuse en de bisschop van Metz landde hij op de dijk van de Goese Polder, waar hij tegenover de Goese burgemeester Maarten Oortsz. werd ingehuldigd als voogd van zijn vrouw Maria van Bourgondië. Na deze ‘speed-date’ met Goes vertrok Maximiliaan snel, en ook de Middelburgers gingen huiswaarts. Op de dijk bij Hongersdijk werden zij vervolgens geconfronteerd met een inwoner van dit dorp, die hen van verre uitlachte en beledigde, en ondertussen zijn blote billen toonde.

Gedurende een periode aan het einde van de vijftiende eeuw en het begin van de zestiende eeuw bestond er vanuit Goes een ‘veerdienst’ op Hongersdijk.

In december 1520 bezocht de bekende Duitse kunstenaar Albrecht Dürer Zeeland. Op een zaterdag kwam hij in Goes aan, waar hij een portretje tekende van een Goese vrouw.
 

Goes' meisje, fragment van tekening door Albrecht Dürer, 1520.


Vervolgens ging hij naar Arnemuiden. Toen zijn schip uit Goes naar het westen vertrok, passeerde Dürer een verdronken dorp; de daken van de huizen staken boven het water uit, noteerde hij in zijn dagboek. Vervolgens voer het schip langs Wolphaartsdijk en even later gleed de kleine stad Kortgene voorbij, dat op een ander eiland lag.
 

Blaeu, Geographie Blaviane, vol. 4., boek 10, Zuid-Beveland, atlas 1667.


Met een blik op een kaart uit die tijd kan het verdronken dorp geen ander zijn geweest dan Hongersdijk.
 

Detail van de kaart van Blaeu. Onder de Zuydt Vliet is rechts te lezen: Den Toren van Hongersdyck'. 


Het schip moet eerst met een koers noord uit de Goese haven zijn vertrokken, en daarna westwaards over de Zuidvliet tussen Wolphaartsdijk en Noord-Beveland zijn gevaren. Langs de Kraaiertbank kon dan het Sloe (toen: Jonker Fransengat) worden binnengevaren naar het kustdorp Arnemuiden.

Meestal wordt aangenomen dat Hongersdijk vanaf 1530 enkele keren onder water kwam te staan, om na de vloed van 1552 voorgoed te verdwijnen. Blijkbaar was het eerder in de zestiende eeuw, in elk geval vóór december 1520 toen Dürer passeerde, ook al eens overspoeld. Na 1600 begonnen de schorren oostelijk van het eiland Wolphaartsdijk geleidelijk aan te groeien. Helemaal aan de oostzijde werd de Oostnieuwlandsepolder hier gewonnen, die voor een deel het grondgebied van de oude polder rond Hongersdijk besloeg.

De schorren oostelijk van deze nieuwe polder bleven bekend staan als Hongersdijk. In de noordoostelijke hoek van dit schorrengebied hadden schaapherders een schapenstelle opgeworpen. Het schorrengebied, en de stelle, kwamen in 1809 binnen de dijk van de Wilhelminapolder te liggen.


Hofstede Hongersdijk Bron: KMWP.nl, site van Koninklijke Maatschap de Wilhelminapolder.


Omdat de eerste polderdirecteur Van den Bosch historisch geïnteresseerd was, gebruikte hij oude namen voor de nieuwe boerderijen in de polder. Zo kwam er een grote boerderij van de maatschap met de naam Hongersdijk tot stand, die binnen de middeleeuwse polder van het dorp Hongersdijk staat. De plaats van het oude dorp zelf is niet bekend.  
 

Hek van Hofstede Hongersdijk. Bron: KMWP.nl, site van Koninklijke Maatschap de Wilhelminapolder.


Archeologie (bijdrage OAS)

Archeologisch onderzoek is bij uitstek een voorbeeld van opgegraven geschiedenis. De historicus bestudeert historische bronnen, terwijl de archeoloog  focust op het tastbare leven van de gewone man. Zeker voor wat betreft de perioden voorafgaand aan de Middeleeuwen is dit een wereld van verschil. Met archeologie is het mogelijk een goed beeld te krijgen van het dagelijks leven in een bepaald gebied. Daarvoor is dan wel vaak een omvangrijk archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Zo’n onderzoek speelde zich in 2013 af op de Goese Beestenmarkt. De oorzaak was de vernieuwing van de riolering en bestrating. De plaats is interessant, wat overigens geldt voor de hele Goese binnenstad, omdat uit archiefstukken bekend was dat hier in de 15de-16de eeuw een kloostercomplex van de Kruisbroeders had gestaan. Vooronderzoek bevestigde dit en wees bovendien uit dat de resten op sommige plaatsen binnen het bouwterrein lagen.  

Een klooster was een onmisbare instelling in een middeleeuwse stad. In Goes haastten het stadsbestuur en vooral baljuw Wolfert van de Maalstede zich om rond 1430 een dergelijke geestelijke stichting in het leven te roepen. Binnen de sinds 1417 gereedgekomen omwalling was er een ruim terrein beschikbaar: het gebied westelijk van de Wijngaardstraat-Ossenhoofdstraat. De initiatiefnemers slaagden erin de orde van de Kruisbroeders naar Goes te halen. Baljuw Van de Maalstede verkocht de grond waarop het klooster zich kon vestigen. De orde van de Kruisbroeders legde zich toe op zielzorg, preken en biechthoren; ook het vervaardigen van manuscripten behoorde tot hun activiteiten. Op het bouwterrein, dat vermoedelijk werd begrensd door de Ossenhoofdstraat, de Cornelis Eversdijkstraat, de Westwal en de zuidwand van de Beestenmarkt, verrees een vierkant complex met een binnenplaats. De kloosterkerk, een onderdeel van dit complex, bevond zich waar nu Beestenmarkt 2 en 4 staan, terwijl de verblijfsruimten zich in de zuidwestelijke hoek van de Beestenmarkt.

Dwars over de huidige Beestenmarkt bevond zich een muur met een poort die het terrein van de stad afsloot. Beelden op deze poort werden in 1566 bij een zwakke navolging van de Beeldenstorm, door opstandige protestanten verwoest. Deze schade was vrij klein; het klooster zelf was ruim tien jaar eerder bij de stadsbrand van 1554 zwaar beschadigd geraakt. Twee jaar later stond er een noodkerk en kon er weer in de opgelapte gebouwen worden gewoond en gekerkt. Door geldgebrek kwamen de broeders niet meer aan een verdere herbouw toe. De overgang van Goes naar de zijde van de Prins van Oranje betekende het einde voor het klooster in 1578. De gebouwen kregen door de eeuwen heen tal van andere bestemmingen. Op het voormalige kloosterterrein legde de stad kort na 1580 de Beestenmarkt aan, met de daaraan verbonden Nieuwstraat.

Bij het onderzoek van 2013 begeleidden de archeologen de werkzaamheden op de Beestenmarkt en verzamelden daarbij een bron aan informatie. Eerst en vooral werden sporen aangetroffen uit verschillende fasen van het klooster en later. Belangrijke vondsten waren naast veel funderingen, een waterkelder uit de tijd van het klooster, een lavatorium en een bijgebouw ten zuiden van de voormalige kloosterkapel. Ons beeld over de inrichting van het Kloosterterrein werd daarmee belangrijk aangevuld.

Naast sporen en structuren werden er ook veel vondsten geborgen die ons inzicht in het dagdagelijkse leven van de bewoners van het klooster vergroten. Zo maken de voedselresten ons duidelijk wat er zoal op het menu stond aan de Goese Beestenmarkt. De analyse van een aantal monsters leverde visresten, mossels, oesters samen met botten van runderen op. Samen met een aanzienlijke hoeveelheid verkoold graan geeft dit aan dat de al dan niet religieuze bewoners van de Goese Beestenmarkt zeker geen eenzijdig eetpatroon hadden.   

Karel-Jan Kerckhaert, Frank de Klerk