Mei: Europese routes: zout

Gemeentearchief
HOME  |  Documenten  |  Mei: Europese routes: zout

Mei: Europese routes: zout

Naar overige maandthema's Jaar van het Cultureel Erfgoed
 

Darink, moer en zel-as

De ontwikkeling van de middeleeuwse zoutindustrie kende in Goes een komeetachtig begin. Vóór het midden van de vijftiende eeuw was er in Goes nog weinig activiteit in het zout. Oude zoutsteden in Zeeland waren Tholen, Zierikzee, Reimerswaal, en in Noord-Vlaanderen (later: Zeeuws-) Hulst en Axel. Voor de productie van zout lieten de plaatselijke ondernemers overal in de omtrek zouthoudend veen uit de bodem spitten, de zogenaamde ‘darink’ of ‘moer’.

Dit diende enerzijds als brandstof om vuren in zoutketen te stoken, en anderzijds als de grondstof voor het zout. Na verbranding bleef zoute as over, ‘zel-as’, die kon worden aangelengd met zout water. Koken van deze vloeistof resulteerde uiteindelijk in zout, genaamd ‘zout van zel’. Dat uitgraven van darink werd geleidelijk aan verboden door de overheid, omdat het funest voor de bodem was.

Zie ook de bijdrage OAS onderaan deze pagina.


Lakennijverheid

Aan de Goese haven bevonden zich in die vijftiende eeuw voornamelijk spanramen voor laken; de lakennijverheid was toen nog belangrijk in de stad. De bovenverdieping van de vleeshal was als lakenhal ingericht. Hier controleerden keurmeesters het laken.
 

Het stadhuis met beneden de vleeshal. (In 1743, vóór de grote verbouwing van 1772-75.) Prent Hendrik van Diest.


De kronkelige havenloop werd geflankeerd door ‘zaten’, hellingen van slik of schorgrond die met laag water grotendeels droog vielen. Rond 1450 kwam voor de westelijke ‘zate’ de naam Westzelke in gebruik, een teken dat de spanramen langzaam plaats gingen maken voor zoutketen.
 

Zoutketen op de Westzelke, en kapel en molen. Detail van anonieme tekening van het beleg van Goes in 1572. 


Dit gebied werd later de J.A. van der Goeskade. Aan de oostzijde van de haven moest eerst de aankoop van de Honderd Gemeten van Kloetinge nog worden afgewikkeld, voordat ook hier een Oostzelke met keten kon ontstaan (1472). Dit werd veel later de A. Joachimikade.


Internationaal

Toen ging het snel en nestelde Goes zich in de kopgroep van Zeeuwse zoutsteden. Dit kwam vooral doordat de ondernemers zo kien waren te profiteren van een nieuwe grondstof: het ruwe zout (‘baaizout’) van de Franse en Bretonse kusten, later ook uit Spanje en Portugal.
 

De ligging van Goes aan de Schengen en Oosterschelde. Kaart Joan Blaeu 1649, kopergravure ingekleurd.  
 

Zo kwamen in Goes diverse nieuwe handelsstromen bij elkaar: de zoute grondstof kocht men in Arnemuiden bij zoutmakelaars, uit West-Brabant werden enorme hoeveelheden turf als brandstof gekocht, arbeiders kwamen van heinde en verre naar Goes, het eindproduct werd gewogen, in zakken gedaan en van een label met stadswapen voorzien. Daarna vond het Goese zout zijn weg in Europa, met name naar Wallonië, en later naar Holland, Oost-Nederland en Duitsland.
 

Detail van een kaart van Goes door Lieven Ruyte, ca.1560, met daarop ingetekend de nieuwe, rechte havenloop. Nationaal Archief VTHR 4477.
 


Werkgelegenheid

Aan de twee zelkes langs de haven verrezen tientallen zoutketen, houten schuren met een hoog strooien dak; een gat hierin diende voor rookafvoer. In een beschutte hoek van de keet kon het zout op droogvloeren worden gedroogd. Onder het rookgat bevond zich een zoutpan, een platte ijzeren pan van een forse diameter die kon variëren van 2 tot ruim 5 meter. De pan lag op een stenen muurtje met hier en daar een stookgat. Onder de pan stookte het keetpersoneel de vuren om de vloeistof te verhitten. Een geoefende medewerker kon op het goede moment het vlies met vuiligheid dat boven kwam drijven verwijderen, en vervolgens het gekristalliseerde zout uitscheppen. Afhankelijk van het kookproces produceerde men ‘ziedzout’, dat korte tijd op 100 graden was gekookt, en ‘braadzout’, dat langere tijd op een lagere temperatuur stond. Braadzout had de beste kwaliteit, ideaal voor het conserveren van voedingsmiddelen. Met het aanvoeren van de grondstof, de brandstof en de afvoer van het fijne zout hadden de Goese schippers handenvol werk. Gevoegd bij alle andere werkers in het zout moet de branche aan dik zes- tot achthonderd man/vrouw werk hebben gegeven.

In sommige zoutketen konden tot wel drie zoutpannen staan, waarvoor vrij grote gebouwen nodig waren. Hiervoor waren dus ook veel werksters en werkers nodig. De expansie van de industrie laat zich aflezen aan de explosieve groei van het aantal keten in de vijftiende eeuw: 40 omstreeks 1480, 54 in 1493. In 1558 was dit aantal gegroeid tot 81 keten, waarin 96 pannen lagen. Het hoogste aantal keten werd in 1569 bereikt: 100 stuks, wat betekende dat 20 procent van alle zoutpannen in de Nederlanden in Goes was te vinden.



Kapel

Kort na 1450 kwam een gilde van de pannelieden tot stand, dat St. Anna als patroon koos. In deze vereniging bundelden de keeteigenaren hun krachten. Tussen de zoutketen op de Westzelke verrees een kapelletje, de ‘kapelle op zelke’ (zie tekening Westzelke 1572). De kapel was niet alleen bestemd voor devotie; het klokje werd gebruikt om het begin- en eindsein voor het stoken van de vuren te geven. Het klokje verplaatste men rond 1566 naar de nieuwgebouwde Haven- of St. Maartenspoort.
 

De Havenpoort (uit ca. 1568) vlak voor de sloop halverwege negentiende eeuw, pentekening. De top van het poortgebouw met de windwijzer werd gespaard.
 


Het torentje op het Soepuus.


Het mogelijk uit deze tijd daterende uurwerk en wijzerplaat verhuisde begin negentiende eeuw naar het ‘Soepuus’ aan de Kleine Kade, en in recente tijd naar het Historisch Museum De Bevelanden. Merkwaardig genoeg was de kapel op de zelke dan weer niet aan Sint Anna gewijd, maar aan Onze Lieve Vrouwe.
 

Momenteel is het (nog steeds werkende) uurwerk te vinden in het Historisch Museum de Bevelanden.


Zware werkomstandigheden

De zoutnering in Goes vormde een vroege vorm van industrialisatie, met voor de hand liggende uitwassen als milieuvervuiling, felle concurrentie, uitpersing van arbeiders, arbeid van vrouwen en kinderen etc. Die laatste twee vormden een ‘industrie-proletariaat’, dat nu en dan in opstand kwam. Ze moesten dan ook onder zware omstandigheden werken, dagenlang in de zwarte rook van de vuren, zonder onderbrekingen. Daarbij hingen hen zware straffen boven het hoofd als ze hun vuren verlieten en er brand dreigde. Ook de verkoop van brandstof was ten strengste verboden. Het werk aan de pannen was voornamelijk vrouwenwerk, uitgevoerd door de ‘keetjoncwijfs’ of ‘keetwijven’. Het langdurig verblijf in de rook gaf hun een huid een aanmerkelijke verdonkering.  Ondanks maatregelen om de brandveiligheid te vergroten, zo moest er brandemmers, ladders en brandhaken gereed liggen in iedere keet, konden branden niet altijd worden voorkomen. Desastreus was een brand in 1554, toen een kwart van de stad in de as werd gelegd. In een mum van tijd konden de keten worden herbouwd en rookten de vuren weer.



Oorlog

De zoutindustrie in Goes ging als een nachtkaars uit. Bij het beleg van Goes door de Geuzen ging de havenindustrie in vlammen op. Onduidelijk is op wiens rekening deze verwoesting is te schrijven, zowel het Spaanse garnizoen als de Geuzen kunnen dit hebben gedaan. Aan herbouw viel voorlopig niet te denken; andere plaatsen in Holland die ook met zoutwinning waren gestart en die minder met de oorlog te maken hadden sprongen in het gat. Pas toen de oorlog zich van de stad verwijderde na ca. 1580 vond aarzelende herbouw van enkele zoutketen plaats. Het bleef in de eeuwen daarna bij een handjevol, staande op hun oude plaatsen aan de haven. Toen het stadsbestuur een deel hiervan in 1651 kanaliseerde moesten enkele eigenaren hun bedrijfje afbreken en elders herbouwen. Toch bleven er tot na 1800 enkele zoutketen hun rook over Goes verspreiden.

In Zeeland had de vroegere handelsplaats Arnemuiden, in de zestiende eeuw scharnierpunt van de handel in zout, aan het begin van de negentiende eeuw nog tientallen zoutketen aan het werk. Een grote brand in 1808 betekende ook hier de doodsteek. De komende eeuwen zou er zout uit andere productiegebieden komen.



Archeologie (bijdrage OAS)

In de Middeleeuwen stond werd er in Zeeland veel veen gestoken als brandstof, maar ook voor de zoutwinning. Dat dit op grote schaal plaatsvond wordt regelmatig duidelijk tijdens archeologisch onderzoek (Foto van veenwinning in verdronken gebied). Grote delen van het Hollandveen landschap zijn verstoord waarmee ook veel archeologische resten verloren zijn gegaan.

Ook in Goes en omgeving werd in de Middeleeuwen veel veen gewonnen. Tijdens recent archeologisch onderzoek in De Poel werden veel en grote veenwinningsputten aangetroffen. Deze geven heel duidelijk aan dat een deel van de middeleeuwse welvaart van Goes gestoeld was op de handel in veen en zout. 

Het Goese zout werd vervolgens in alle windrichtingen vervoerd om gebruikt te worden bij de bereideing van voedsel en het inmaken van vis en vlees.
 

dc5-moerneringsputten_verdronken_rilland.jpg - SCEZ OAS