Goesse Meysjes 1744

Gemeentearchief
HOME  |  Documenten  |  Goesse Meysjes 1744

Goesse Meysjes 1744

In de Papegaaistraat opende wethouder Loes Meeuwisse op 24 september de mural van beeldend kunstenaar Wim Bakker, waarop o.a. papegaaien, mode en bijzondere Goesenaren te zien zijn. De opening was een onderdeel van Goes Modestad.


Wethouder Loes Meeuwisse en beeldend kunstenaar Wim Bakker. Foto Carel Bruring.


Daarnaast is in de mural verwerkt een gedicht van de Goese dichter Guuç Mulders en een fragment van een anoniem gedicht uit 1744 over modebewuste Goese meisjes. 


Dichter Guuç Mulders met rechts zijn eigen gedicht en links het fragment over de Goesse Meysjes. Foto Carel Bruring.


Manhuis

In pop up Museum Manhuis is in het voorjaar een activiteit rondom het gedicht op de Goesse Meysjes. Binnenkort leest u er meer over.

Hieronder de volledige tekst.


Een nieuw Lied op de Goesse Meysjes

Vrienden luistert na dit Liedeken,
Dat ik zingen zal, een soet geval,
Van de Goesse Meysjes fier,
Al met veel pleizier:
Hoe sy haar opschikken gaen,
Na de mode wild verstaen
En dat voor eerst met kaphoedjes
Die sy setten op, tot in den top,
Een roos rood lind daer an,
En wat denkje daer van,
En dan ook wel net
Roode zyde daer in geset.
Engels hoedjes dragen sy mede
Na de mode jent, seer excellent,
En een strookje daar om,
Van tien stuivers de som:
En van binnen geel vrond,
Of Citse met witte grond.
En ook mutsjes met esel oortjes
Dragen sy koen, na nieuw fatsoen
Sy poeijeren adret,
Haer haertje wit en net,
En mutsjes seer net voltooit,
Voor een dubbeltje opgeplooit.
Swarte kraeltjes men noemtse gitte
Met goud ingeleid, alsoo men seit,
Koralyne kraeltjes kleyn,
Dragen ook ongemeyn,
En dan ook minjoot,
Bloetkralen net en root.
En des sondags als sy gaen te Kercke,
Een lange mantel koen, die sy aandoen
een zyde kappe daer op
Het staet gelijk een pop,
Of een kap jent en koen,
Dat sy onder haer keel toe doen.
En ook krulletjes met bellen
Dragen sy mee, in dese Stee:
een goude ketting uit vals
Dragense om haer hals,
en in haar oortjes kleyn,
Dragense orlietjes fijn.
En ook mooije geblomde manteltjes
Van Citse of katoen, Die sy aandoen,
En van een blommetje ligt,
't Is voor de Jonkmans gezigt
Want dit seg ik daer van,
't Is om te krijgen een Jonkman,
Dat sy haer soo gaen opschikken
Boven haer staet fier, gelijk hier
Want de Mevrouwen van de Stad
Die loopen niet soo hups en prat,
Als die Goesse Meisjes fier,
Die haer opschikken na de zwier.
Hoepelrokken dragen sy mede,
Van twee drie hoog, my vry gelooft,
Gedrukte Koussen staet gereed,
Gestikte keuse wijd en breed,
Men sou seggen aen haer pragt,
Dat zy zijn van van eel geslagt.
Ja zy hebben daer ook nog mede,
Een beugeltas op zy, dees meisjes bly
En daer in ook mee,
Een doosje met Rappee,
Dat zy prezenteren prout,
Als zy samen sitten in 't rond.
Maer dit moet ik ook niet vergeten,
Fruweele mofjes fier, dragen sy ook
hier, met een goud haekje toe,
't Staat soo prat ik weet niet hoe
En de moutjes net en koen,
Daer sy mee knoopjes in doen.
En ook mooije gedrukte muyltjes
Dragen sy prat, pronk van de stad
Gestikte muyltjes jent,
Dragen zy excellent,
En dan ook minjoot
Kousjes sneeu wit en rood.
Maer voor al Goesse Meisjes
Veragt de vrome niet, Gelijk hier geschied,
Laet yder voeren in zijn schild,
En ook dragen dat gy wild,
Gelijk als ik en gy ook doen,
Wy dragen kleeren na nieuw fatsoen.
Oorlof gy Goesse meysjes
Ik schrijf niet meer, voor dese keer,
Maer die dit heeft gedigt,
Geeft hem geen quaad gesigt,
Want dit zeg ik klaer,
Hy kan nog meer voorwaer.
Oorlof gy Goesse Dogtertjes
Ik ra u maer ten best, al voor 't lest
En schikt u niet meer op
Gelijk een kermis pop,
Want het is de beste daet
Draagt kleeren na uw staat.

Anoniem, 1744. Bron: DNBL


 


November 2016