Goes in de negentiende eeuw

Gemeentearchief
HOME  |  Documenten  |  Goes in de negentiende eeuw

Goes in de negentiende eeuw

Joost Adriaanse doet bij het Gemeentearchief onderzoek naar Goes in de negentiende eeuw.  
 

Joost Adriaanse op zijn werkplek, de voormalige raadsleeskamer 


Het resultaat van zijn werk zal straks te vinden zijn op de nieuwe website Historie van Goes. Deze website is een uitbreiding van de succesvolle website Goes in de 18e eeuw, die in 2012 de lucht in ging en met jaarlijks vele duizenden unieke bezoekers in een behoefte voorziet. Voormalig griffier en wethouder Joost Adriaanse deed ook hiervoor het onderzoek en schreef alle teksten.


Per eeuw


De nieuwe website is een work in progress en zal dat ook blijven, een dynamisch document waaraan steeds nieuwe gegevens of inzichten toegevoegd worden. De website beschrijft de geschiedenis van Goes per eeuw.
 


Immens karwei


Joost Adriaanse werkt nu aan de negentiende eeuw volgens dezelfde opzet als waarmee hij de achttiende eeuw te lijf is gegaan. Het is een immens karwei. Behalve de ochtend die hij wekelijks bij het Gemeentearchief doorbrengt, werkt hij thuis ook nog eens een uur of vijftien aan de beschrijvingen. Over de achttiende eeuw had hij ongeveer zesduizend A4'tjes aan bouwstenen uit het archiefonderzoek, nu worden het er nog veel meer.
 

Correspondentie van de stad Goes


Hij doorzoekt alle notulenboeken, stadsrekeningen, de notulenboeken van de kerkeraad van de hervormde gemeente, de ingekomen stukken en correspondentie, huizencohieren en de rechterlijke archieven van de negentiende eeuw. Gezien de omvang van het materiaal heeft hij zich wat betreft het verzamelen van de gegevens in eerste instantie beperkt tot 1860 en is hij begonnen met het beschrijven van die eerste periode. Dat beschrijven doet hij thuis, het zoeken doet hij bij het archief.
 

Het stadhuis in 1848, tekening J. van de Pijl


Opvallend is dat de hoeveelheid materiaal per jaar oploopt. Bijvoorbeeld, in 1842 waren er 900 ingekomen stukken, een jaar later 925, weer een jaar later 1127. In 1845 dan weer iets minder, 1065, maar de stijgende trend blijft. Nog een voorbeeld, alleen al in de maand december van het jaar 1844 ontving het stadsbestuur honderd brieven. Na de Franse tijd (1795 tot 1813), waarin de bemoeienis van de overheid zeer groot was, zakte die bemoeienis eerst in, maar nam al gauw weer toe. De steden, later gemeenten, kregen steeds meer taken toebedeeld. De bureaucratie nam toe.

Op een morgen bij het archief (ongeveer vijf uur) kan hij 400 à 500 stukken verwerken. In gemiddeld drie morgens kan hij een jaar doen. Hij heeft er routine in gekregen.   


Werkwijze


Hoe gaat hij te werk? Eerst heeft hij de notulenboeken van het stadsbestuur van de periode 1801 tot 1860 doorgewerkt en de gevonden gegevens in een schema gezet. Dat vormt het raamwerk. Gegevens die hij in de andere bronnen vindt, voegt hij hieraan toe.
 

Een pagina van het schema


Net als bij de website van de achttiende eeuw, wordt de eeuw in logisch samenhangende tijdperken verdeeld. Per tijdperk doorzoekt hij de correspondentie en de andere bronnen. Als hij interessante dingen tegenkomt, dan voegt hij ze toe aan het schema. Maar, wat is interessant en wat niet?

In het algemeen legt hij individuele gevallen terzijde en zaken waarover andere bronnen meer en betere informatie geven. Een voorbeeld, de alimentatie van armen. Veertig procent van de brieven daarover betreft een enkele persoon. Die brieven bij elkaar schetsen natuurlijk wel een beeld van de armenzorg, maar daarvoor heeft hij betere bronnen, zoals verslagen van het armenbestuur, de diaconie, de commissie voor Oeconomische Spijsuitdeling.

Een brief over hoeveel gealimenteerden er in het gasthuis zitten, hoeveel ouderen en hoeveel vreemdelingen, die gegevens neemt hij dan weer wel op, net als een brief van de gouverneur over kinderziekten. 

Een ander voorbeeld. Een brief over verkoop van bomen op de bolwerken. Dat is ook interessant, want dat geeft informatie over welke bomen er bijvoorbeeld tussen de Koepoort en Ganzepoort stonden, zoals olmen.
 

De Koepoortbrug in 1860, gravure P.A. Hochart. Schenking dhr. Teding van Berkhout

  

Ook een missive van de brandweer Wolphaartsdijk over het transport van brandspuiten neemt hij op in het schema. De brandweer had een wagentje nodig en de raad besloot in te gaan op het verzoek om het weinig gebruikte lijk-/rouwwagentje, dat in de stadsschuur stond, om te bouwen.
 

De stadsschuur in 1980, voor de restauratie en verbouwing tot restaurant


De notulenboeken van het stadsbestuur geven een prachtig beeld van de stad, maar uit de ingekomen stukken komen de mooiste details. In een brief van de stadsdrukkerij vindt hij bijvoorbeeld welke boekhandelaars er op een bepaald moment in de stad zijn.
 

De waterkorenmolen in 1793


En uit een brief van stadsbouwmeester De Lannée de Bétrancourt over de verbouwing waarbij de waterkorenmolen (later het soepuus) na de verlanding van de haven geschikt gemaakt wordt voor bewoning, leest hij over de staat van het gebouw in oorspronkelijke staat. Dan let hij er bijvoorbeeld ook op waar bepaalde onderdelen, zoals het raderwerk, naartoe gingen.
 

De waterkorenmolen in 1905


Als de gegevens uit alle bronnen in het raamwerk staan, rubriceert hij ze naar thema. Thema's die in elk tijdperk terugkomen, zijn o.a. stadsbestuur, kerkelijk leven, openbare orde, onderwijs en cultuur, zorg en openbare voorzieningen.

Gegevens over de boekdrukkers of de molens komen onder het hoofdstukje 'Economische bedrijvigheid', alles wat met kerk en diaconie te maken heeft onder 'Kerkelijk leven' enzovoort. Net als in de website over de achttiende eeuw, wordt de informatie gepresenteerd per tijdperk en per thema. 
 

Bloeiende achttiende eeuw en ingeslapen negentiende eeuw


Wat zijn de belangrijkste verschillen die hem opvallen als hij de achttiende en negentiende eeuw vergelijkt? De achttiende eeuw was veel kleurrijker, vertelt hij. In Goes was veel te doen, het stadje leefde geweldig. Het had illustere stadsbesturen, schutterijen, allerhande gilden en neringen, een grote bedrijvigheid aan beurtveren die wel naar vijftien plaatsen gingen, en wel tien molens. Een grote hoeveelheid ambachten was er ook, er waren goud- en zilversmeden, tingieters, kaarsenmakers, hoedenmakers, tabak-kervers en op sommige momenten wel dertig bakkers in de stad. 
 

De haven omstreeks 1890


In de negentiende eeuw liep alles terug. Goes werd doods, ingeslapen, veel nering verdween. De dorpen op Zuid-Beveland werden meer zelfvoorzienend en hadden soms eigen haventjes, de bewoners kochten minder in de stad. De haven verzandde, wat ook funest was voor de nijverheid. In 1809 werd nog wel een nieuwe haven gegraven, maar dat kon de teruggang niet meer tegenhouden. Waren er in de achttiende eeuw wel veertig zoutketen, een eeuw later nog maar een paar.

Aan het stadsbestuur lag het niet, is de indruk van Adriaanse. Net als daarvoor had Goes in de negentiende eeuw een bestuur van hoge kwaliteit, bestaande uit heren met academische titels en een indrukwekkende staat van dienst.
 

Burgemeester mr. M.P. Blaaubeen in 1852 


Tekeningen 
 

In de correspondentie in het Archief van de Stad Goes zijn niet alleen teksten maar ook mooie tekeningen te vinden, van Louis Philippe de Lannée de Bétrancourt bijvoorbeeld.

  


Monnikenwerk


Het is prachtig om op deze manier de eeuwen aan je te zien voorbij trekken, zo ervaart Adriaanse. Het is monnikenwerk, maar het geeft veel voldoening. Hoe is hij in dit werk gerold? In 1998 werd hij door de toenmalige gemeentearchivaris Allie Barth gevraagd of hij een à twee dagen per week archiefonderzoek zou willen doen. De aanleiding was dat Adriaanse vier kronieken over Arnemuiden had geschreven. Professor Dekker was bezig met de geschiedschrijving van de periode tot 1577, dat zou verschijnen onder de titel Een schamele landstede, en verder werd er niet veel gepubliceerd. En zo begon Joost Adriaanse aan de achttiende eeuw, de eeuw waarvan we het minste afwisten.


Honderd procent geput uit de bronnen
 

Zijn kennis van geschiedenis en zijn belangstelling zijn groot. Hij publiceerde eerder o.a. ook al het boek ‘Wandelingen door Goes in de 18e eeuw’. Maar Joost Adriaanse is geen historicus en daarvan is hij zich scherp bewust. Daarom geen interpretaties, alleen feiten. Hij neemt het bloedserieus, is huiverig om conclusies te trekken. Met de gevonden gegevens gaat hij dan ook zeer zorgvuldig om. Alles is honderd procent geput uit de bronnen.


Arnemuiden


Als hij de periode tot en met 1860 klaar heeft, dan stopt hij er even mee. Want de vijfde kroniek over Arnemuiden ligt op hem te wachten. Die kronieken staan niet op zichzelf. Adriaanse is afkomstig uit Arnemuiden en hij vervult er, ook nu hij in Goes woont, nog steeds allerlei functies in het sociale leven. Hij zit in de redactie van Arneklanken, in het bestuur van de Historische Vereniging en het bestuur van het museum van Arnemuiden, hij is rondleider in het museum en voorzitter van het dorpshuis.

En als de kroniek over Arnemuiden klaar is? Dan wil hij niet eerst de negentiende eeuw afmaken, maar liever aan de zeventiende eeuw beginnen. Zodat ook die eeuw straks op de website Historie van Goes te vinden zal zijn.



November 2014