Februari: Duurzaam vakmanschap: Bier

HOME  |  Documenten  |  Februari: Duurzaam vakmanschap: Bier

Februari: Duurzaam vakmanschap: Bier

Naar overige maandthema's Jaar van het Cultureel Erfgoed


De geschiedenis van het bier in Goes gaat ver terug. De oudste gegevens gaan echter niet over het brouwen zelf, maar over het vervoer van het bier. Nog voordat Goes een stad was bestond er al een gilde van bierdragers, gewijd aan Sint Christoffel. Dit werd tussen 1381 en 1397 door ambachtsheer Gwijde van Blois van een privilege voorzien.
 

Bierdragers, gravure Jan Luiken 1711. Collectie Rijksmuseum
 

Niemand anders dan leden van dit gilden had het recht om biervaten te laden, te lossen of te vervoeren.
 

Bij de oprichting kreeg het gilde wat land in Goes en Wolphaartsdijk; van de opbrengst hiervan en van de ledencontributies moesten missen worden gelezen op het Onze Lieve Vrouwe-altaar in de kerk. Een eigen Sint Christoffelaltaar was er toen blijkbaar nog niet.


Toen Goes in 1405 stad werd, zat het stadsbestuur aardig in zijn maag met dit bierdragersprivilege. Het zou de groei van de bedrijvigheid in de stad kunnen belemmeren. Het stadsbestuur kreeg in 1407 gedaan van graaf Willem VI, dat alle werkzaamheden beschikbaar kwamen voor de Goesenaars die poorter waren (dat was lang niet iedereen), ook het bierdragerswerk.
 

Graaf Willem VI van Beieren, detail van een gravure uit de zeventiende eeuw


Het werk van de Goesenaars werd beschermd: buiten de stad mocht geen textiel worden bewerkt, noch mochten stadsbewoners bier of vlees van buiten kopen. Zelf bier brouwen was er voor de stadsbewoners nog niet bij. De kennis hiervoor ontbrak wellicht en bovendien was daar een verbod op van de graaf. Hij beschermde blijkbaar de Hollandse steden waar een bierindustrie was ontstaan. In diezelfde beschikking uit 1407 maakte de graaf korte metten met de bierdragers: het gilde werd opgedoekt.


Zeker zestig jaar mochten poorters zelf biervaten, die per schip uit steden in Holland werden aangevoerd, laden en lossen.


Inkijkje in de Blaauwe Steen vanuit de haven omstreeks 1900


Rond 1480 bleek het gilde weer in het leven te zijn geroepen. Er werd een nieuw reglement opgesteld, en de gildebroeders kregen de beschikking over een eigen verenigingslokaaltje, Blaauwe Steen 5. Hier werd gedobbeld om de karweitjes te verdelen.
 

Blaauwe Steen in 2007. Het linkerpakhuisje is nummer 5. Foto A. Boonman


Ook de gildegereedschappen, zoals touwen en draagberries, lagen in een hoekje van de kelder gereed. De ledenaantallen van dit gilde waren door de eeuwen heen erg groot, ook al omdat Goes nooit een havenkraan liet bouwen. In 1798 werd dit gilde, met alle andere in heel Nederland, opgeheven. (C. Dekker, Een schamele landstede, Geschiedenis van Goes tot aan de Satisfactie in 1577, 323, 324.)

Op een onbekend moment in de vijftiende eeuw trad er versoepeling in op de regels, en gaf de stad bierbrouwers de vrije hand om hun drank in Goes te gaan produceren. Op bier moest echter een fikse belasting worden geheven, zodat zowel de animo om te brouwen als om bier te kopen niet erg groot was. Een belangrijk privilege kreeg Goes in 1480. Graaf en gravin Maximiliaan van Oostenrijk en Maria van Bourgondië kondigden een verlaging op de belasting aan ‘van den biere dat nu voortaen gebrouwen zal worden in onse voorschreven stede van der Goes ende vrijheyt van dien’. De stad mocht voortaan zelf de belasting op bier vaststellen, en deze ook in haar zak steken. Alleen een kleine toeslag op het Goese bier reserveerden de graaf en gravin voor zichzelf en voor hun nakomelingen. Ook bier van elders hoefde in het vervolg minder te worden belast. Een rijke geschiedenis van brouwen, en vooral ook bier drinken, lag open. (ASG.inv.nr. 2, fol. 8v-9r.)


Lees een artikel over de bierdragers in Historisch Jaarboek Zuid- en Noord-Beveland 1980.


Brouwerijen

Het privilege van de graaf en de gravin had niet direct het gewenste effect van de ontwikkeling van een autochtone biernijverheid in Goes. Er zijn tot het midden van de zestiende eeuw slechts enkele verwijzingen naar de vestiging van bierbrouwers en -brouwerijen in en rond Goes. Zo worden in 1481, 1486 en 1494 drie brouwers als poorters van de stad ingeschreven.

Verder wordt Cornelis Janse Dijcgraeve in 1497 als eigenaar vermeld van een brouwerij even buiten de Zuidpoort in de Voorstad. Deze brouwerij is overigens in 1572 afgebrand, vermoedelijk bij het beleg van de Geuzen van de stad (Verzameling Keetlaer, inv.nr. 1342, 16-12-1572).

Daarna wordt in 1554 en 1556 melding gemaakt van brouwerij “Middelburch” aan de Lange Kerkstraat. Cooman Paes Macharissen verkoopt dan het huis “Middelburch met de brouwerie en sijn gevolg, staende achter tcoer van de kercke met de last van 15 schellingen tsjaers”.

Tenslotte schijnen er nog kleine brouwerijen geweest te zijn aan de Wijngaardstraat (brouwerij “’t Vercken”), aan het Noordeinde (zonder naam) en aan het Nissepad (“De Oude Brouwerie”). Deze brouwerijen was echter geen lang leven beschoren.
 

Sluitsteen van brouwerij “Het Witte Claverblad” boven het poortje van de Brouwersgang. Foto Chr. Dekker


Vanaf het midden van de zestiende eeuw ontwikkelt de Goese biernijverheid zich. Tot het midden van de zeventiende eeuw werden maar liefst vier brouwerijen in de stad opgericht. Het zijn brouwerij “De Gecroonde Weerelt” nabij de Koepoort aan de Wijngaardstraat in 1567, brouwerij “Het Witte Claverblad” aan de Brouwersgang bij de Beestenmarkt circa 1595, brouwerij “De Gans” bij de Agnesgang in de Wijngaardstraat in 1644 en brouwerij “De Fortuyn” aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat in 1652. In de zeventiende en achttiende eeuw kenden deze brouwerijen hun grote bloeiperiode. Zij brouwden hun “bier van hoge gisting” met het water uit een waterschip vanuit de stadshaven of uit waterputten. Het water werd door middel van een buizenstelsel uit de stadshaven naar de brouwerijen in de Wijngaardstraat geleid. Bij herbestrating van de Wijngaardstraat is in de jaren zestig van de twintigste eeuw nog een gedeelte van dit buizenstelsel teruggevonden. De brouwerijen aan de Brouwersgang en de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat hadden hun eigen waterputten achter de brouwerij.

Aan het eind van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw raakte de lokale biernijverheid in het slop. Bier als drank werd minder populair dan de nieuwe dranken thee en koffie. Bovendien werd het laaggistende bier, de zogenaamde pilseners, populairder, omdat deze langer houdbaar waren dan de hooggistende. De laatste Goese brouwerij “De Gans” sloot rond 1910 haar deuren.
 

Browuerij De Gans Wijngaardstraat Goes 1890

Brouwerij De Gans in de Wijngaardstraat in 1890. De gevelsteen is bewaard gebleven en te vinden achter het Historisch Museum De Bevelanden aan de Singelstraat.



Met de komst van restaurant en stadsbrouwerij Slot Oostende voorjaar 2017 is een oude traditie in Goes teruggekomen.

Zie ook de bijdrage van het OAS over waterkelders.