April: Gemaakt landschap

HOME  |  Documenten  |  April: Gemaakt landschap

April: Gemaakt landschap

Naar overige maandthema's Jaar van het Cultureel Erfgoed


In wat nu het grondgebied is van de gemeente Goes, is al vroeg sprake van ingrijpen van de mens in het natuurlijke landschap.


In de achtste en negende eeuw komen kolonisten van onbekende herkomst naar het stroomgebied van de Schenge. Een zijtak hiervan is de Gos, ook wel Korte Gos (Curtagosum) genoemd. Dijken zijn dan nog een onbekend fenomeen; de mensen wonen op de hoogste plekken in het natuurlijke landschap. Dit landschap bestaat uit zeer grote schorrengebieden, hoog opgeslibd, en doorsneden met kreekruggen en open geulen. Een soort Land van Saaftinge waar geen einde aan komt.


Schapen

Vlaamse abdijen zijn eigenaar van grote stukken land, waarop ze schapen laten grazen. De nieuwe bewoners hebben als taak om deze dieren te weiden, en de wol aan de abdijen te leveren. De monniken op hun beurt betalen hiervoor en bieden een zeer beperkte zielzorg. Met dit gebruik van de schorren door schapen beïnvloedt de middeleeuwse mens voor het eerst de natuur. De schapen trappen de bodem vaster, ze veranderen de vegetatie door hun graasgedrag, en met hun mest krijgt de grond een andere structuur.


Schapen op de Notenboomdijk bij Nisse in april 2002. Foto Tannie de Jonge


Ook hierdoor komen er andere planten. Wel lastig dat er overal geulen liggen, die met een schaapskudde moeilijk zijn over te steken. Al snel gaat men gebruik maken van dammetjes van strobossen in deze kreken. Als je die flink aanstampt, kan daar prima een kudde schapen over lopen. Zo wordt onbedoeld het in- en uitstromende eb- en vloedwater verminderd. Op de hoogste kreekruggen ontstaan groepjes woonhutten en schapenstallen. Vooral hier verrijkt de schapenmest de grond; het mestpakket verhoogt het woonniveau, zodat hoge vloeden minder gevaarlijk worden. In het schorgebied kan na verloop van tijd met akkerbouw worden begonnen.


Woonterpjes

Op plaatsen waar bij extreem hoog water regelmatig problemen ontstaan, begint men met vlechtwerken en een primitieve beschoeiing hier invloed op uit te oefenen. Het zal nog eeuwen duren voordat de zee zich laat intomen. Zodra er meer mensen arriveren is het mogelijk om woonplaatsen die toch al op kreekruggen liggen nog iets verder op te hogen. Vermoedelijk begint dit proces eerst met woonterpjes waar een of hooguit enkele huizen op staan. Later kunnen groepjes woonterpen uitgroeien tot een groter geheel, waaruit dan een dorp kan voortkomen. Een mooi voorbeeld van geïsoleerd gebleven huisterpjes vormen de boerderijen aan de Tervatenseweg in Kloetinge.


Boerderij Tervatensweg. Foto B. van de Plasse 1980
 

Ook in het buitengebied van Wolphaartsdijk is er nog wel een enkele te vinden. De meeste middeleeuwse dorpen liggen ook tegenwoordig nog opvallend hoger dan de nieuwere wijken en het omliggende platteland.


Brandstof

Verder ontdekken de nieuwe middeleeuwse bewoners al snel dat er brandstof in de bodem zit: onder een laag klei bevindt zich een dik veenpakket dat gedroogd prima brandt en warmte geeft. Een zeer vroege toerist uit de 10de eeuw, Ibrâhîm b.Ya’qûb, een jood uit Arabisch Spanje, merkt over de kustgebieden op:

Het land is er doordrenkt van zout en ongeschikt om planten of gewassen voort te brengen. De bewoners voorzien in hun onderhoud door kudden en de melk en de wol daarvan. Omdat er geen hout beschikbaar is om te stoken, nemen zij ter vervanging om zich te verwarmen een soort leem. Tegen de zomer gaan zij naar hun weiden, waar dan niet zoveel water meer op staat en hakken met houwelen die leem in de vorm van briketten, ieder naar wat hij nodig heeft. Vervolgens leggen ze die te drogen in de zon, waardeer ze veel lichter van gewicht worden. Steek je ze aan, dan branden ze zoals hout en geven een levendige en erg warme vlam, zoals je dat ziet bij de blaasbalg van de glasblazer. Het verbrande stuk laat geen koolresten achter, maar alleen as. Bovendien is dit veen zout; na verbranding blijft zoute as over die weer als grondstof voor zout kan worden gebruikt.


Zout

De middeleeuwer zal geen dollartekens in de ogen hebben gekregen, maar misschien wel Vlaamse pond-tekens. In de uitgestrekte poelgronden, ook wel met moer aangeduid, zal eeuwenlang naar dit veen worden gedolven. De vruchtbare kleilaag gaat daarbij dan grotendeels verloren, het bodemniveau daalt, en het zoute veen zorgt voor verzilting van het binnenwater. Overigens werkten de Bevelanders in de Romeinse tijd ook al met zoute moer, getuige de vondst van zoutovens bij ’s-Heer Abtskerke.

Ondertussen zorgen diverse stormvloeden in de tiende en elfde eeuw voor dood en verderf. Als reactie daarop begint men op meerdere plaatsen geulen in de buurt van woonkernen met een lokale dam af te sluiten.

De lieden die aan de oever van de Korte Gos wonen (citaat uit 976), gaan deze brede kreek afdammen, ongeveer op de plaats van de huidige Sint Maartensbrug.
 

De Sint Maartensbrug omstreeks 1860
 

Noordelijk blijft de kreek bestaan; dit is nu de haven. Zuidelijk van de dam ligt de kreekrug; hierop is dan al het dorp, later stad, Goes ontstaan. Ook elders in het stroomgebied van de Schenge ontstaan dorpen. Deze hebben soms een naam die op –inge eindigt. Meestal is het eerste deel van de dorpsnaam die van een plaatselijke machthebber, zoals bij Sabbinge. Letterlijk te vertalen als: de groep rond Saxbald.

Dan houdt een nieuwe overstroming in 1134 vreselijk huis. Veel mensen verdrinken, dorpen en gehuchten hebben zwaar te lijden van de ramp. Op veel plaatsen gaan grote schorrengebieden verloren. Polders aanleggen, het opwerpen van dijken, dat is ook de reactie van de Bevelanders na 1134.


Ringdijk

Voor het eerst pakt de mens dit werk gestructureerd aan; rond het kerngebied van Zuid-Beveland komt een grote ringdijk. Lokale dammen, zoals bij Goes en bij Biezelinge, waar ook een geul eerder al werd afgedamd, neemt men op in de ringdijk. Dorpen worden herbouwd, en krijgen vaak een nieuwe naam, die soms op –dijk of dijke eindigt. Andere nederzettingen ontlenen hun naam aan de parochie- of kerkstichting; de dorpen die op –kerke eindigen. Zowel dijken als kerken worden meestal vernoemd naar leden van de lokale adel. In de gemeente Goes is dit Wolphaart en het bekende rijtje van Schenge-edelen Wisse, Arend en Hendrik. Ook Wolphaart is vermoedelijk een Van Schenge geweest. Kattendijke, dat ruim vijftig jaar na 1134 een zeer moeizame herdijking kende met een belangrijke rol voor de abdij van Ter Doest, is een soortnaam. Een van de vele namen voor wilgentakken is katten; deze zijn ongetwijfeld in astronomische aantallen gebruikt voor de dijkaanleg hier. Wilhelminadorp is historisch gezien piepjong, het kwam kort na de inpoldering van de Wilhelminapolder tot stand (1809).


Polders

Kort samengevat: rond 1200 is de kern van Zuid-Beveland, met grote delen van het huidige Goes (ook het eiland Wolphaartsdijk) beveiligd met een dijk. In het verdere verloop van de middeleeuwen ontstaat een breiwerk aan polders dat zich vooral in noordelijke en westelijke richting uitbreidt. Er komen havens, de dorpen groeien, kasteelbergen worden opgeworpen en verdwijnen grotendeels weer, hier en daar bouwt men modernere kastelen die ook uit de tijd gaan. De ooit zo belangrijke Schenge wordt gereduceerd tot twee kreekrestanten, opgesloten temidden van polders. Goes (stad sedert 1405) krijgt een steeds belangrijkere rol in het beheer van het Bevelandse kerngebied, dat lang bekend zal staan als De Breede Watering Bewesten Yerseke. Nieuwe stormvloeden door de eeuwen heen dwingen steeds opnieuw tot waakzaamheid, en het verbeteren van technieken. De ramp van 1530 lijkt zich in Kattendijke in 1953 te herhalen; het is een dubbeltje op zijn kant dat de dijk hier tijdens de Ramp niet doorbreekt.


Netwerk van straatwegen

In het gemaakte landschap stelt de mens zich al in de late middeleeuwen niet meer tevreden met het patroon van kreekruggen, die zorgen voor de toegankelijkheid van het gebied. Naar Goes worden dan al handelswegen vanuit de dorpen aangelegd, eerst nog over smalle waterwegen die schuitvaarten worden genoemd. In de Gouden Eeuw volgt dan een netwerk van straatwegen over Zuid-Beveland, beginnend bij het veer van Yerseke op Gorishoek (Tholen) in het oosten, en eindigend aan het Sloe bij het veer op Walcheren. Wegen lopen van Bath naar Borssele.


Schenge

Het stroomgebied van de Schenge verandert in de negentiende eeuw enorm. Op de kaart is in rood de verandering van het landschap tussen 1750-1860 ten noorden van Goes ingetekend.
 

De kaart hoort bij: Verslag aan den minister van Binnenlandsche Zaken betreffende de Oeververdediging in Zeeland, Raad van den Waterstaat. ’s-Gravenhage 1862.


Te beginnen met Noord-Beveland zien we oostelijk van Kats de Leendert Abrahampolder staan, aangelegd in 1853. De rivierarm Zuidvliet tussen Noord- en Zuid-Beveland krijgt verder naar het oosten de naam Zandkreek. Dit is de naam van het water dat tegenwoordig oostelijk van de Zandkreekdam (1960) ligt. Westelijk van deze dam bevindt zich nu het nieuwe Veerse Meer. Aan het begin van de achttiende eeuw poldert  men in het schorrengebied noordelijk van Goes de Oost-Bevelandpolder in. De schorren van Hongersdijk (een in de late middeleeuwen verdronken dorp dat bij Wolphaartsdijk hoorde), van Goenje en van De Onbekende, en de kreken De Puye, het Goese Diep, het Wolphaartsdijkse Gat en het Hondegat worden in 1809 met de aanleg van de Wilhelminapolder bedijkt. Met deze grote inpoldering komt Wolphaartsdijk aan Zuid-Beveland vast te zitten. Later in deze eeuw verkleinen nieuwe inpolderingen de Schenge steeds verder: de Perponcherpolder en de Broeder- en Zusterpolder komen gereed.


Watergangen

Nieuwe watergangen worden nodig in de achttiende en vooral de negentiende eeuw om het oppervlaktewater, dat in herfst en winter in hinderlijke hoeveelheden voorradig is, af te voeren via uitwateringssluizen. Aan het einde van de negentiende eeuw komen hiervoor stoomgemalen ter beschikking. Stoomenergie is dan al ingeburgerd; rookpluimen stijgen op uit scheepsschoorstenen, en uit de stoomlocomotieven op de nieuwe spoorlijn. De moderne infrastructuur van de twintigste eeuw grijpt daarna om zich heen.


Het stoomgemaal Kattendijke in 1980. Het gemaal is gesloopt in 1989. Foto C. Nobels
 

Natuur in de betekenis van ongerept is er niet meer. Waar natuur voorkomt is dit bedachte natuur, onder druk staand van recreatie, landbouw, etc. Het landschap is bedacht en gemaakt. Ibrâhîm b.Ya’qûb zou duizend jaar later aan één alinea niet genoeg hebben om zijn verwondering over Zeeland en de gemeente Goes onder woorden te brengen.


 

Naar overige thema's Jaar van het Cultureel Erfgoed