AKF - Ab Schipper en Toon Brouwer

Gemeentearchief
HOME  |  Documenten  |  AKF - Ab Schipper en Toon Brouwer

AKF - Ab Schipper en Toon Brouwer



Ab Schipper en Toon Brouwer kwamen samen als leerjongen bij de Apparaten- en Ketelfabriek, maakten er carrière en zijn er tot hun pensionering gebleven. En nog is het verhaal niet klaar. Allebei hebben ze een hele verzameling foto's, documenten, reclamefolders, relatiegeschenken, personeelsbladen, krantenknipsels en noem maar op, van de eens zo beroemde fabriek.


Innovatief


Hun fascinatie met het bedrijf is niet zo verwonderlijk. In het collectieve geheugen van Goes neemt de AKF nog steeds een belangrijke plaats in. Eens was het een bloeiend innovatief bedrijf, en, met in de toptijd driehonderd man personeel, een van de grootste werkgevers van Goes. Je zou de AKF zelfs als de grondlegger van de apparatenbouw kunnen beschouwen. In verschillende technieken zorgde de AKF voor doorbraken. Bijvoorbeeld met titaniumlassen was de apparaten- en ketelfabriek de eerste in Europa.

Ook strategisch was het bedrijf sterk. De directeur-eigenaar, Benschop, kocht titanium in Amerika. Dat was militair beschermd metaal, dat de Amerikanen in principe niet wilden verkopen. Niemand kon eraan komen, maar Benschop had het, dankzij connecties. Die exclusiviteit leverde heel veel grote opdrachten op.

Titanium verwerven was één, maar het verwerken van het zeer harde metaal was twee. Lasdraad voor titanium was er nog niet. Slijpschijven ook nog niet, laat staan snijden met 1000 bar met water en zand, zoals tegenwoordig gedaan wordt. Het was in het begin niet eenvoudig om de harde, ruwe laskanten te vijlen.

De AKF ging zelf lasprocessen voor titanium ontwerpen. Dat begon met een apparaatje waarin een ruitenwissermotortje verwerkt was en dat steeds verder verbeterd werd. De lasprocessen werden later gekopieerd door Esap. Daarin was de AKF wat minder strategisch, octrooien waren niet geregeld.


45 jaar bij de AKF


Ab Schipper en Toon Brouwer waren vanaf de eerste dag op de ambachtsschool bevriend. Samen gingen ze vervolgens in augustus 1964 naar de leerschool van de AKF, waar ze zich toelegden op de plaatwerkerij. Al gauw, nog voor hun opleiding klaar was, kwamen ze in de productie en heel hun werkzame leven zouden ze bij de AKFblijven, op het laatst bij AKF Schelde in Vlissingen. In totaal ongeveer 45 jaar. Toen ze - vervroegd - afscheid namen was Schipper projectmanager en Brouwer bedrijfsleider werkplaats.

Ze zijn enthousiast over hun loopbaan en over de prachtige projecten die ze bij de AKF deden. In het plaatwerken en lassen hebben ze met alle technieken gewerkt. Geen twee apparaten waren hetzelfde. Ook alle materialen hebben ze leren kennen, ‘van waaiboomijzer tot titaan’.


Leerjongens


De bedrijfsopleiding leidde op voor het Bemetal-diploma en duurde twee jaar. Ongeveer twintig jongens zaten erop, tien in het eerste en tien in het tweede jaar. De opleiding viel onder het leerlingstelsel en is vergelijkbaar met de huidige SOM (Stichting Opleidingen Metaal).

Toon Brouwer kan zich zijn eerste dag bij de AKF nog goed herinneren. Hij stond maar te wachten voor de ingang. Hij had niet in de gaten dat er een zware dranger op zat. In de beginperiode, hij was nog geen zestien en mocht nog niet brommerrijden, reed hij vanuit Colijnsplaat achterop mee met een buurman die bij de AKF werkte.

Hun eerste werk was leren slijpen. Gasheaders voor de Nam. In staal van 35 cm dik waren gaten ingebrand. De randen moesten dan geslepen worden. Met een slijptol van acht kilo was je dan een halve dag aan zo'n gat aan het slijpen. Het lag eraan wie de gaten gebrand had. Sommigen deden het heel netjes, maar er waren er ook die zeiden: laat die leerjongens maar slijpen! Een slijpkap hadden ze wel op, maar geen oorbeschermers. Allebei hebben ze nu last van een ruis in hun oren, die ze horen als het stil is. Een lichte gehoorbeschadiging hebben ze er dus wel van opgelopen.

Hoe zwaar het werk soms ook was, van het begin af aan vonden ze het prachtig. De heftrucks, de hijskranen. Vooral de Hyster was leuk. Daar zijn ze nog een keer 's nachts even mee naar Kattendijke gereden. Wel een beetje onverantwoord, maar geen kip op de weg in die tijd, en grote lol natuurlijk.
 

Vooraan rechts, met sigaret, directeur Benschop, bij de opening van de AKF in 1962. Foto collectie A. Schipper.
 

Slaapmuts
 

Directeur Benschop leerden de jongens ook goed kennen. Die sliep regelmatig in de fabriek. Als de secretaresse er niet was tenminste. Het werk in de fabriek ging dag en nacht door en Benschop had een slaapplekje boven in het archief, waar hij door twee kleine raampjes het werk in de twee zijbeuken kon controleren. En hij kwam wel eens naar beneden als het niet naar zijn zin was. Jonge jongens waren ze en die maken natuurlijk wel eens een lolletje. Ze zien de directeur en zijn kwaaie kop nog precies voor zich. Met een slaapmuts op, zo'n ouderwetse met een kwast aan een koord. Ome Koos noemden de leerjongens hem. Niet omdat hij zo aardig was. Op een van die keren dat Benschop weer eens vanuit zijn slaapplekje woedend naar beneden was gekomen, heeft hij ze met zijn allen tegelijk ontslagen. Onmiddellijk daarna nam hij ze weer allemaal terug in dienst. Hij had zich gerealiseerd dat hij meer subsidie voor de leerjongens kreeg dan hij ze betaalde, 17 cent per uur kregen ze.


Hagenezen


De AKF was in 1961-62 uit Den Haag, waar onvoldoende groeimogelijkheden waren, naar Goes gekomen, waar de ligging aan het water ideaal was.
 

De Akf aan de Houtkade in Goes. Foto collectie A. Schipper.


Het Haagse bedrijf, in 1937 door dr. B.J.M. Ammerlaan opgericht als Nederlandse Imbertgas Maatschappij, maakte aanvankelijk houtgasgeneratoren voor mobiele toepassingen. Die werden op een bus, tractor of schip gezet. Vooral in de oorlog, toen er geen benzine was, vonden deze veel aftrek. Na de oorlog werd overgeschakeld op andere producten en in 1948 werd de naam omgezet in Apparaten- en Ketelfabriek Den Haag, in 1956 werd het een N.V..

Zestig werknemers uit Den Haag waren meegekomen en eenzelfde aantal kwam uit Goes en omstreken. Het waren, zeker in de eerste jaren, twee klieken, de ‘Hagenezen’ en de ‘boeren’. De Hagenezen, echte stadsmensen en afkomstig uit de Schilderswijk, zaten vol moppen en schunnige praat, waar de oren van de jonge jongens weleens van klapperden. Het kwam wel voor dat een van de Hagenezen 's nachts even verdwenen was en dan kwam hij terug van ‘zo we hebben aardbeien bij de boterhammen’. Die had hij dan eventjes uit de volkstuintjes achter de dijk geroofd. En er was er een met een houten been, Bilderbeek, die de show stal door in het bijzijn van onwetende omstanders met een grote boormachine zogenaamd koelbloedig door zijn been te boren. En Goofy, zo genoemd vanwege zijn lange gezicht, die had een Superio-brommer met beenschilden. Elke morgen ging hij met brommer en al door de deur naar binnen, dat ging precies. Maar op een dag hadden zijn Haagse collega’s de deur nauwer gezet. Lachen natuurlijk, om het beteuterde gezicht van Goofy, met die beenschilden om zich heen geplakt.
 

De J.D. van Mellestraat in 1960


De Hagenaars woonden bijna allemaal in het buurtje Van Mellestraat en Marijkestraat, en ook wel in de flats in de Goese schilderswijk. In de winkels in de binnenstad wilden ze ijskasten en dergelijke op afbetaling kopen, maar dat was men hier niet gewend. Het was een hele consternatie. Voor zo'n uitgave spaarden de Zeeuwen eerst. Een slimme ondernemer in witgoed aan de Opril pakte het beter aan, hij toog naar de AKF om te melden dat hij wel op afbetaling wilde leveren. Het leverde hem vele Haagse klanten op.

Bij de uitbetaling van het salaris zagen ze hoe de Hagenaars met het bruine loonzakje omgingen. Het geld van de overuren van de vorige week werd in de achterzak gestoken, daar had de vrouw niets mee te maken. Dat was voor het café. Naar café Baarends en de Flora gingen ze veelal. Die uitbetaling was bij het loket van het bedrijfsbureau. Je moest dan in de rij staan tot je nummer aan de beurt was. Eerst waren de nummer 1 tot 150 aan de beurt, Ab had 127 en Toon 106. Als je dan niet snel genoeg was, te lang over het handen wassen had gedaan, en je nummer al geweest was, dan moest je achteraan aansluiten.


'Mensen met handen'


De leerschool hebben ze niet volledig doorlopen, ze gingen de productie in. Dat kwam doordat hun begeleider Ab Pool ziek werd. Daarna kregen ze een ander, Zegers, en daar kregen ze nog driekwart jaar een opleiding van. Ze zouden evengoed toch examen doen, maar kwamen in tijdnood voor hun examenwerkstukken. Je mocht niet meer dan veertig uur werken. In overleg (‘de bedrijfsleider wist het, maar wist het niet’) hebben ze avonden lang de werkstukken gemaakt. Ze werden echter verlinkt (ze weten zeker dat het de bedrijfsleider niet was) en zijn daarom allemaal gezakt. Een half jaar later slaagde iedereen voor het herexamen.

Tot hun tweeëndertigste hebben ze geleerd. ‘s Zaterdags naar school in Bergen op Zoom. Tijd om te trouwen had je niet. Schipper trouwde op Witte Donderdag, zodat hij aansluitend de paasdagen had en Brouwer op Koninginnedag. Je kon wel vrij nemen, maar je had het geld hard nodig.

De bedrijfsschool is in 1990 opgeheven. Nu hoor je: er zijn geen technici meer. 'Mensen met handen' blijf je nodig hebben. Het is toch lastig als je een lekkage hebt  en je moet een loodgieter uit Polen halen. Zelf hebben ze het ook meegemaakt, dat een afgestudeerde hts'er werk opdroeg en dat zij, gepokt en gemazeld in de praktijk, zagen dat het op die manier niet zou lukken. 
 


Zwaar transport
 

Legio zijn de verhalen over hoe de enorme ketels, pijpen en apparaten die ze produceerden op transport moesten. Dat vergde de nodige inventiviteit. Zo kocht de AKF een brandweerwagen van de gemeente Kattendijke en bouwde die om om een reactor voor DSM Staatsmijnen te kunnen vervoeren.
 

De brandweerwagen van de AKF. Een reactor voor DSM wordt opgeladen. Foto collectie A. Schipper.


Die moest naar de loswal bij het spoor, waar nu de Agrimarkt is. De Landrover, waarmee ze dolly’s voorttrokken, was niet sterk genoeg.
 

Overladen op een wagon bij de loswal. Foto collectie A. Schipper.

De Landrover van de AKF met een dolly. Foto collectie A. Schipper.


Door de stad


Vroeger ging al dat zware materieel gewoon door de stad. De Ringbaan was er nog niet. Een keer reed de brandweerwagen, die vanaf de Houtkade de Joachimikade op was gekomen, te hard en kon de bocht naar links naar de Oostwal niet meer maken en reed zo het pand van schildersbedrijf Rosendaal in. Dat zat links op de hoek met de Sint Jacobsstraat (waar nu een plateelschilder zit). Hij had drie dochters, dat weten ze ook nog.
 

Hoek A. Joachimikade met in het midden het pand van het schildersbedrijf in de jaren zeventig. Collectie Bitter-van Opstal


Niemand raakte gewond.


Afzinken


Een andere keer moesten zoutindampers naar Akzo in Hengelo vervoerd worden. Die konden niet op een bak of ponton. Ze hebben ze in het kanaal met zand laten afzinken tot 2,5 meter diep en achter een sleepboot naar Hengelo laten trekken.
 

De fabriekshal met de zoutindampers voor Akzo. De halve bollen zijn de zoutindampers. Bovenaan de foto is de kant van de Houtkade. Ab Schippers staat rechts van de bovenloopkraan (12,5 ton), de man onder de kraan is vakbondsman Arie van den Berg. Linksonder de laswagen, die ca. 200 kg woog. Het was zwaar werk om die, met al die kabels, naar de andere kant van de hal te brengen Schipper heeft thuis nu een klein laswagentje van 4 kg dat hetzelfde presteert. Foto collectie A. Schipper.


Op bovenstaande foto is ook het spoor te zien (rechts). De spoorlijn naar de AKF, bedongen toen de AKF naar Goes kwam, is weinig gebruikt, inmiddels ingehaald door de ontwikkelingen.


Het transport ging deels over de weg en hoofdzakelijk via het water. Bij het Goese Sas was een nieuwe sluis gekomen. De oude sluis was maar zes meter breed en daarmee een bottleneck.
 

Transport over het kanaal Goes-Goese Sas. Foto collectie A. Schipper.


De nieuwe sluis was 8.60 meter breed, daar kon een ponton van 8.40 net doorheen. De lengte maakte niet uit. Men wachtte op dood tij, zodat beide deuren open konden staan.

Het transport werd meestal door Stoof uit Breda gedaan, later werd dat Mammoet.
 


Het op ponton, boot, dolly of wagen zien te krijgen van de enorme gevaartes had ook nog wel wat voeten in de aarde. Men verzon van alles. Kranen natuurlijk, maar als dat niet ging glijplaten, of stalen u-profiel balken met paraffine die ze met lasbranders smolten. Foto collectie A. Schipper.


Inspectie
 

Eenmaal op locatie moesten er controles plaatsvinden. Dan ging Ab Schipper, verantwoordelijk voor de kwaliteitszorg, kijken, vaak vergezeld van Toon Brouwer. Daar hebben ze ook mooie verhalen over. Zo hadden ze een keer vijf torens in Stade afgeleverd. Die moesten waterpas staan. Op 45 meter hoogte, op smalle richeltjes in wind en zon, moesten ze dat voor elkaar zien te krijgen. Drie weken zijn ze er mee bezig geweest, toen gaven ze er de brui aan. Ze hebben er nooit meer iets van gehoord. 

Een andere keer ging het hele team mee, met de bus naar Geleen. Aan de koffie met vlaai zaten ze daar te kijken hoe Mammoet met het transport bezig was. Bleek het gevaarte net niet onder een brug door te kunnen, het scheelde maar tien centimeter. Allemaal met de bus terug dus. De volgende dag, men had wat aanpassingen aan de brug gedaan, kon Ab Schipper opnieuw naar Geleen.
 



In Noorwegen, waar ze ook een toren hadden afgeleverd, dacht de controleur van de klant dat de toren niet recht stond. Schipper controleerde nogmaals en nogmaals, maar hij stond toch echt recht. Bleek het verschil te komen doordat de controleur 's middags om twaalf uur keek, als de roestvrijstalen toren in de volle zon stond, en Schipper 's avonds. Foto collectie A. Schipper.


Herstructurering


Na een periode waarin de bomen tot in de hemel groeiden - het prachtige reclamemateriaal en de manier waarop men personeel wierf, spreken boekdelen - kwam de neergang.

Brochure. Collectie A. Schipper.


 

Folder om in Goes personeel te werven. Collectie A. Schipper.


In het gras


Schipper en Brouwer vertellen dat ze bij elkaar wel een half jaar op het grasveld achter de fabriek in het zonnetje hebben gelegen, als er geen werk was.

Diverse keren is de AKF van eigenaar veranderd. Eerst moesten alle bedijfsmachines en het wagenpark in blauw-wit overgeschilderd worden. Vervolgens werden ze overgenomen door HCG en moest alles in groen-oranje. Elke twee jaar was er wel een reorganisatie.

Een volgende herstructurering kwam door de politiek. Minister Van Aardenne constateerde dat er te veel apparatenbouw in Nederland was. Dat leidde uiteindelijk in 1978 tot de overname door RSV, het moederbedrijf van de Scheepswerf De Schelde, en mét RSV ging de AKF later kapot.


Vertrek naar Vlissingen


In 1997 vertrok de AKF uit Goes, naar De Schelde in Vlissingen. Vele krantenknipsels uit die tijd in de verzameling van Brouwer en Schipper getuigen van het verlies voor Goes. Toon de Kam, werknemer van de AKF,  maakte er een veelzeggende cartoon over.

Tranen bij het verlaten van de AKF in Goes. Aan de meeuw op de wegwijzer is te zien hoe men over het vertrek naar Vlissingen dacht....  Cartoon door Toon de Kam. Collectie A. Schipper.


De helft van de 160 man personeel moest eruit. En dat gold ook voor De Schelde, waar eenzelfde aantal mensen werkte.


Archief
 

Bij het vertrek naar Vlissingen werd het hele archief van de AKF weggegooid. Toon Brouwer kon het niet aanzien en heeft van alles uit de container gevist. Hij is het nu allemaal aan het opschrijven. Voor zijn kinderen, maar ook voor de eeuwigheid. Zijn verhaal zal hij, samen met zijn verzameling, naar het Gemeentearchief brengen. Dat kan echter nog wel even duren, want hij is nog maar in 1972. Het archief van Ab Schipper is er al, dat heeft hij vorig jaar gebracht.
 


Maart 2016